VRIJHEID VAN MENINGSUITING VAN WERKNEMERS

met tips voor klokkenluiders

Inhoud:

Waarom deze uitgave?

Leeswijzer

1. Belangrijkste bepalingen

1.1. Over de vrijheid van meningsuiting

1.2. Over de geheimhoudingsplicht

2. Uitingen van werknemers; waar moeten zij rekening mee houden?

2.1. Het doel van de arbeidsovereenkomst

2.2. De 'gekleurde' werkgever

2.3. De eisen van redelijkheid en billijkheid

2.4. Het belang van de werkgever bij beperking van de uitingsvrijheid

2.5. De reactie van het publiek op uitingen van de werknemer

2.6. De reactie van collega's

3. Maatschappelijk relevante uitingen

3.1. Maatschappelijk relevante uitingen die een relatie hebben met de arbeid

3.1.1. Uitingen, gericht tot de pers

3.1.2. Uitingen, gericht tot collega's, de werkgever en/of klanten

3.1.3. Uitingen in relatie tot het doel van de werkgever

3.1.4. Uitingen, gericht op verandering van de arbeidsorganisatie

3.2. Maatschappelijk relevante uitingen zonder relatie met de arbeid

4. Maatschappelijk irrelevante uitingen

4.1. Maatschappelijk irrelevante uitingen die een relatie hebben met de arbeid

4.1.1. Belediging of bedreiging

4.1.2. (Seksuele) intimidatie en pesten

4.1.3. Discriminatie

4.2. Maatschappelijk irrelevante uitingen zonder relatie met de arbeid

5. Bekendmaken van bedrijfsgeheimen

5.1. Algemeen geldende wettelijke geheimhoudingsplicht

5.2. Contractuele geheimhoudingsverplichting

5.3. Opdracht tot geheimhouding

5.4. Strafrechtelijke sancties bij schending

5.5. Geheimhoudingsplicht van OR-leden

5.6. Feitelijke effectuering van geheimhouding

6. Melden van misstanden, intern en extern. Klokkenluiden.

(inclusief tips voor klokkenluiders)

6.1. Interne melding van misstanden

6.2. Externe melding van misstanden

6.3. Meldingsplicht?

6.4. Melding aan de media

6.5. Klokkenluiden

6.5.1. Definitie van het klokkenluiden

6.5.2. Bescherming van de klokkenluider

6.6. Do's en don'ts voor wie een misstand wil melden

6.6.1. De zeven valkuilen

6.6.2 Tips voor klokkenluiders

7. Adressen

8. Uitgaven

Bijlage: Tekst belangrijkste bepalingen

- Artikel 10 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

- Artikel 7 Grondwet

- Artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek

- Artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek

- Artikel 273 Wetboek van Strafrecht

- Artikel 20 Wet op de ondernemingsraden

Colofon en disclaimer

 

Waarom deze uitgave?
De vrijheid van meningsuiting geldt als een van de belangrijkste grondrechten. 'Meningsuiting' moet ruim worden uitgelegd. Het gaat niet alleen om het verkondigen van meningen of overtuigingen. Ook bijvoorbeeld het uiten van gevoelens en het doen van mondelinge of schriftelijke mededelingen vallen onder dit begrip. Een bepaalde haar- of kledingdracht is eveneens als meningsuiting te beschouwen.

Ook in de relatie van werkgever en werknemer is de vrijheid van meningsuiting uitgangspunt. Voor werkgever en werknemer geldt dat zij zich daarbij als een goed werkgever en een goed werknemer hebben te gedragen (artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek). Maar de wetgever heeft verder nauwelijks aanknopingspunten geformuleerd voor de beoordeling van uitingen van werknemers (zie hoofdstuk 1). Deze FNV-uitgave wil enig houvast geven bij het beantwoorden van de vraag wat een werknemer wel en niet mag zeggen en bekendmaken. Of anders gezegd: welke beperkingen de werkgever mag stellen aan de vrijheid van meningsuiting van de werknemer (m/v).

De werkgever kan bijvoorbeeld proberen om bepaalde uitingen van de werknemer bij voorbaat te voorkomen. Voorbeelden daarvan zijn beperkende bepalingen in de arbeidsovereenkomst, instructies en bedreigingen.

Hij kan ook achteraf proberen in te grijpen om verdere uitingen te voorkomen door negatief te reageren. Dat kan openlijk, door een straf op te leggen of een waarschuwing te geven. Maar dat kan ook stilzwijgend, door de werknemer anders, op een negatieve manier te behandelen.

In april 2000 stelde de FNV drie dagen achtereen een telefonische meldlijn open voor klokkenluiders. Eén van de conclusies was dat er behoefte is aan een handleiding voor werknemers, die hen inzicht geeft in de risico's die zij lopen wanneer zij gebruik maken van hun recht op vrije meningsuiting, waaronder het klokkenluiden. Vooral hoofdstuk 6 beoogt in deze behoefte te voorzien.

De FNV wil de risico's verkleinen voor werknemers die zich uiten op het werk. Daartoe heeft zij voorstellen gedaan aan de wetgever en aan de werkgevers. De discussie daarover is nog niet afgerond.

De werknemer die denkt dat hij ten onrechte in zijn vrijheid van meningsuiting is of dreigt te worden beperkt, doet er verstandig aan deskundige bijstand in te roepen. Datzelfde geldt voor de werknemer die twijfelt of hij iets wel of niet mag uiten.

Deze uitgave is geschreven voor ondernemingsraadsleden, kaderleden, overige geïnteresseerde werknemers en rechtshulpverleners.

Voor de vrijheid van meningsuiting van ambtenaren gelden aparte regels. Daarover komt de FNV begin 2002 met een aparte brochure.

(terug)

Leeswijzer

In hoofdstuk 1 zijn de belangrijkste bepalingen over de vrijheid van meningsuiting en hun betekenis opgenomen. Dit is een theoretische inleiding met een sterk juridisch karakter. Wie daarin niet geïnteresseerd is, kan dat hoofdstuk overslaan. Hoofdstuk 2 geeft aan waarmee de werknemer rekening moet houden bij zijn uitingen. Wat van meer praktisch belang is, komt in de daarop volgende hoofdstukken terug. Daarin worden de regels verduidelijkt met voorbeelden uit de praktijk. Namen van bedrijven zijn in die voorbeelden slechts gebruikt wanneer zij eerder in de media zijn gepubliceerd.

Wie vooral op zoek is naar do's en don'ts, kan meteen naar hoofdstuk 6 gaan. Dat gaat over het zogenoemde klokkenluiden, de vraag wat je zelf moet doen als je bedrijf bewust dingen doet, of niet doet, waarover de buitenwacht geïnformeerd moet worden. De daarin genoemde voorbeelden zijn ontleend aan de praktijk, waarbij de klokkenluiders onherkenbaar zijn gemaakt.

(terug)

1. Belangrijkste bepalingen

1.1. Over de vrijheid van meningsuiting

Op grond van artikel 7 van de Grondwet mag de werkgever vooraf geen controle uitoefenen op uitingen van werknemers die geen verband hebben met de arbeid (zie de paragrafen 3.2 en 4.2). Dit Grondwetsartikel verbiedt censuur.

Op grond van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is een beperking van de vrijheid van meningsuiting van de werknemer alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan.

- De beperking moet nodig zijn in een democratische samenleving.

- De beperking moet nodig zijn ter bescherming van gerechtvaardigde belangen van de werkgever.

- De beperking mag niet verder strekken dan nodig is ter waarborging van die belangen.

- De beperking moet in een redelijke verhouding staan tot het belang dat daarmee gediend wordt.

- En in de beperking moet zijn voorzien bij een voldoende voorspelbare en kenbare regel, die zijn basis vindt in de wet.

Wat dat in de praktijk betekent komt in de volgende hoofdstukken aan de orde. De FNV vindt duidelijkheid daarover zo belangrijk, dat zij dat wil vastleggen in het Burgerlijk Wetboek.

De FNV heeft bij kabinet en Tweede Kamer gepleit voor opname in het Burgerlijk Wetboek van de volgende bepaling:
'De werkgever kan de werknemer niet beperken in diens vrijheid tot het openbaren van gedachten of gevoelens, behoudens voorzover de openbaarmaking een duidelijk en direct gevaar schept voor de goede vervulling van de arbeid van de werknemer, het goede functioneren van de organisatie van de werkgever of het realiseren van het streven van de werkgever in relatie tot de functie van de werknemer.'

Een voor de hand liggende manier om de vrijheid van meningsuiting van een werknemer te beperken is daarover iets op te nemen in de arbeidsovereenkomst. Een dergelijke beperking moet uitdrukkelijk worden overeengekomen, tussen partijen in een vergelijkbare machtspositie, en evenredig zijn. Anders kan de werkgever zich er niet op beroepen.

In de praktijk tilt de rechter niet zwaar aan de eis van een vergelijkbare machtspositie. De andere eisen zijn wel hard. Dat betekent dat overeengekomen beperkingen van uitingen, die maatschappelijk relevant zijn (zie hoofdstuk 3), al snel geldigheid missen: ze beperken de aan iedere burger, dus ook aan de werknemer toekomende uitingsvrijheid onevenredig. De geringe ruimte die de werkgever heeft voor het bij overeenkomst beperken van de vrijheid van meningsuiting van de werknemer wordt eerder beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid (zie hoofdstuk 2) dan door de precieze inhoud van de bepaling. Door de werking van die eisen speelt de bedoeling van de overeengekomen beperking wel een rol bij de beoordeling als één van de omstandigheden van het geval.

Voor een uiting die geen relatie heeft met het werk (zie de paragrafen 3.2 en 4.2) hoeft de werknemer in het algemeen geen toestemming te vragen aan de werkgever. Dat vloeit voort uit het verbod op censuur van artikel 7 van de Grondwet.

Dit is anders als de uiting wordt gedaan in het kader van de opgedragen arbeid. Dan gaat het om de invulling van het begrip 'goed werknemer'. Bepalingen in de arbeidsovereenkomst kunnen inhouden dat de werknemer moet afzien van het doen van (kritische) uitingen, die de werkgever kunnen schaden.

Bij de beoordeling van een geval zal de rechter aan de hand van een belangenafweging bepalen of een dergelijke uiting van de werknemer door de beugel kan. Bij die belangenafweging heeft het feit dat een dergelijke bepaling in de arbeidsovereenkomst is opgenomen geen doorslaggevende betekenis. Het overeenkomen van een dergelijke bepaling kan wel een door de werkgever nader te onderbouwen vermoeden opleveren dat de werkgever groot belang heeft bij het voorkomen van dergelijke (kritische) uitingen. In het algemeen geldt dat een werknemer kritiek op zijn werkgever mag leveren, ook publiekelijk. Een beding, dat het leveren van kritiek in algemene bewoordingen verbiedt, heeft daarom geen betekenis.

Evenmin kan iemand gedwongen worden om tegen zijn zin een bepaalde uitspraak te doen. Op deze regel bestaat een uitzondering: indien de overeengekomen werkzaamheden bestaan uit het doen van bepaalde mededelingen, dan dienen deze in beginsel uitgevoerd te worden zoals de werkgever ze opdraagt. Die heeft een zodanig groot belang bij de mogelijkheid dergelijke uitingen vooraf te controleren, dat van de werknemer verlangd kan worden dat hij ze aan zijn goedkeuring onderwerpt.

Het komt voor, zij het zelden, dat dergelijke uitingen niet aan de werknemer zijn toe te schrijven, maar direct aan de werkgever. Voor zover dat het geval is, speelt de aan de werknemer toekomende vrijheid van meningsuiting geen rol. Feitelijk en formeel gaat het dan immers om uitingen van de werkgever! Wil de werknemer desondanks, vanwege zwaarwichtige bezwaren, de opdracht niet uitvoeren, dan rest hem een beroep op gewetensbezwaren te doen. Is de uiting wel aan de werknemer toe te schrijven en kan hij daarop dus worden aangesproken, dan is diens vrijheid van meningsuiting in het geding. Hij kan dan eventueel een hem opgedragen uiting weigeren te doen omdat die niet redelijk is binnen het kader van de te verwachten werkzaamheden.

Een verbod tot het verrichten van nevenactiviteiten kan beperkende gevolgen hebben voor de vrijheid van meningsuiting. Uitgangspunt is dat hetgeen de werknemer buiten werktijd en -plaats doet, de werkgever niet aangaat. Het komt de werkgever niet toe door het stellen of overeenkomen van regels met betrekking tot het verrichten van nevenactiviteiten indirect de uitoefening van grondrechten te beperken. Dat is slechts anders als die beperking tevens een concrete relatie heeft met de in dienst te verrichten arbeid. Dus wanneer duidelijk is dat de nevenactiviteit die de werknemer ter hand wenst te nemen, zich niet verdraagt met de werkzaamheden die hij gebruikelijk, in dienst van de werkgever, verricht. De werkgever mag echter alleen die uitingen beperken waarmee de werknemer direct en duidelijk de goede vervulling van de arbeid, het goede functioneren van de onderneming of het streven van de werkgever in relatie tot zijn arbeid, in gevaar brengt.

(terug)

1.2. Over de geheimhoudingsplicht

Het bekendmaken door de werknemer van bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van de werkgever, die de werknemer geheim behoorde te houden, is een dringende reden voor ontslag op staande voet (artikel 7:678 lid 2 onder i van het Burgerlijk Wetboek).

Op grond van artikel 273 van het Wetboek van Strafrecht is het schenden van een door de werkgever opgelegde geheimhoudingsplicht strafbaar. Niet strafbaar volgens dit artikel is echter de werknemer die te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het algemeen belang de bekendmaking vereiste. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer hij de informatie bekendmaakt ter voorkoming van ernstige calamiteiten, zoals milieurampen (zie verder de hoofdstukken 5 en 6).

Artikel 20 lid 1 van de Wet op de ondernemingsraden bevat een geheimhoudingsplicht voor alle informatie waarvan het lid van de ondernemingsraad moet begrijpen dat die vertrouwelijk is. De ondernemer kan het ondernemingsraadslid specifieke geheimhouding opleggen.

Hoofdstuk 5 gaat over het bekendmaken van bedrijfsgeheimen. Daarin wordt uitgelegd waarom de FNV graag wil dat het Burgerlijk Wetboek grenzen stelt aan de geheimhoudingsplicht van werknemers.

De FNV heeft bij kabinet en Tweede Kamer gepleit voor opname in het Burgerlijk Wetboek van de volgende bepaling:
'De werknemer is verplicht tot geheimhouding van bijzonderheden aangaande de onderneming waarvan hij het vertrouwelijke karakter begrijpt of moet begrijpen en waarvan hij kennis draagt door het dienstverband, tenzij hij bij de bekendmaking daarvan een zwaarwichtiger belang heeft dan de werkgever bij geheimhouding of in redelijkheid kan menen dat het algemeen belang de bekendmaking noodzakelijk maakt.'

(terug)

2. Uitingen van werknemers; waar moeten zij rekening mee houden?

2.1. Het doel van de arbeidsovereenkomst

Het sluiten van de arbeidsovereenkomst leidt ertoe dat de werknemer de verplichting op zich neemt zich in te zetten voor het verwezenlijken van het doel van de arbeidsovereenkomst en dat hij daarbij de goede trouw in acht neemt.

Het doel van de arbeidsovereenkomst is het door de werknemer verrichten van arbeid in dienst van de werkgever. Het doel van het verrichten van de arbeid is het bijdragen aan de realisatie van het doel dat de werkgever zich heeft gesteld. Vaak is dat het behalen van geldelijk gewin. Maar het doel kan ook maatschappelijk of ideëel van aard zijn. Daarover gaat de volgende paragraaf.

(terug)

2.2. De 'gekleurde' werkgever

Sommige werkgevers hebben een bepaalde 'kleur': zij streven onmiddellijk en overwegend politieke, confessionele, charitatieve, opvoedkundige, wetenschappelijke of kunstzinnige doelen na of houden zich bezig met berichtgeving of meningsuiting. Een voorbeeld van zo'n 'gekleurde' werkgever is de FNV.

De arbeidsovereenkomst met een gekleurde werkgever heeft vooral gevolgen voor de werknemer die is belast met een functie waarin hij mede die kleur moet uitdragen: hij dient zich, op het maatschappelijk gebied waarop de werkgever actief is, zoveel mogelijk te onthouden van het doen van uitingen die met de 'boodschap' van de werkgever duidelijk in strijd zijn.

Denkbaar is echter dat een werknemer de kleur of bepaalde aspecten daarvan kritisch beziet en intern aan die kritiek ook uiting geeft en desondanks die kleur respecteert. Het ter discussie stellen van de kleur zelf moet binnen de grenzen van redelijkheid en trouw blijven. Wie bijvoorbeeld de ene dag in dienst treedt van de Telegraaf, moet niet de volgende dag proberen die krant in socialistische zin om te buigen.

Ook heeft de werknemer het recht in de interne discussie, ook al wordt die openbaar, in vergaderingen of middels publicaties gevoerd, denkbeelden te verkondigen die tegen de algemene lijn van de werkgever ingaan. Denk maar aan discussies binnen een politieke partij. Zodra echter de discussie het karakter krijgt van een strijd tegen de werkgever, zoals die optreedt in de maatschappij, mag men van de werknemer verwachten dat hij niet aan deze strijd zal deelnemen. De werknemer mag privé wel andere opvattingen uitdragen, zolang hij zelf de relatie met zijn werkgever niet legt en met die uitingen de belangen van zijn werkgever niet direct en duidelijk schaadt.

Het grondwettelijk beschermd recht van de werknemer zich (verder) te ontwikkelen en te ontplooien geldt ook tijdens het dienstverband. Als die zelfverwerkelijking er toe leidt dat de werknemer een van de werkgever afwijkende opvatting ontwikkelt, dient de werkgever dat in beginsel te respecteren en daarin te berusten, ook als de werknemer uiting geeft aan zijn veranderde opvatting. Kern van de beoordeling moet zijn of de overeengekomen of andere passende arbeid nog kan strekken ter realisatie van het streven van de werkgever. Een schoonmaker kan het zich bijvoorbeeld beter veroorloven de opvattingen van zijn werkgever publiekelijk te betwisten dan de persvoorlichter.

(terug)

2.3. De eisen van redelijkheid en billijkheid

Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid en uit de eis van goed werknemerschap vloeit voort dat de werknemer een geringe beperking van zijn vrijheid van meningsuiting moet tolereren. De werknemer kan zich in de relatie tot zijn werkgever relatief minder veroorloven dan in de relatie tot willekeurig welke andere partij of persoon.

Bij de vraag of de werkgever negatief mocht reageren op een bepaalde uiting van de werknemer, is onder meer van belang of de inhoud van de uiting juist of onjuist, waar of onwaar is. Verder moet een beschuldiging aannemelijk kunnen worden gemaakt. De uiting mag ook niet nodeloos grievend zijn en in beginsel niet worden gericht tot anderen dan waarop de inhoud van de uiting betrekking heeft.

In het algemeen zal de werkgever niet hoeven toe te staan dat zijn klanten worden geconfronteerd met uitingen van de werknemer die alleen de relatie van werkgever en werknemer betreffen (bijvoorbeeld een rechtspositioneel geschil of andere afwijkende opvattingen). Van belang is voorts de maatschappelijke waarde van de uiting, mede in relatie tot de door de uiting veroorzaakte schade.

Ook de maatschappelijke belangen dienen bij het vaststellen van de eisen van redelijkheid en billijkheid te worden betrokken. Het goed werkgeverschap houdt in dat de werkgever de aan de werknemer toekomende vrijheid van meningsuiting slechts kan beperken, voor zover de beperking noodzakelijk is voor het bereiken van het doel van de arbeidsovereenkomst. Slechts die beperking - die evenredig is aan het doel van de arbeidsovereenkomst - hoeft de werknemer zich als 'goed werknemer' te laten welgevallen.

De evenredigheidstoets houdt in dat de rechter nagaat of de aantasting van het grondrechtelijk belang, mede gelet op de ernst daarvan, in redelijke verhouding staat tot het belang dat met de beperking wordt gediend.

(terug)

2.4. Het belang van de werkgever bij beperking van de uitingsvrijheid

In veel gevallen stelt een werkgever zich als hoofdtaak het behalen van maximale winst en het continueren van de onderneming. De werknemers van een dergelijke werkgever zonder kleur behoeven zich minder beperkingen van de uitingsvrijheid te laten welgevallen dan bij de werkgever die de maatschappij wil beïnvloeden.

De werkgever kan zich ook op andere belangen beroepen dan zijn doelstelling en het realiseren daarvan. Hij dient altijd wel maatschappelijke belangen, zoals de werkgelegenheid en het mogelijke maatschappelijke nut van een product. Een zwaarwegend belang aan werkgeverszijde is het beschermen van een werknemer tegen ongewenste uitingen van andere werknemers.

(terug)

2.5. De reactie van het publiek op uitingen van de werknemer

Uitingen en gedragingen van werknemers buiten het werk kunnen strijdig zijn met het door de werkgever uitgedragen beeld. Dergelijke uitingen en gedragingen kunnen afbreuk doen aan het belang van de werkgever, indien zij de werkgever worden aangerekend. Als de relatie tussen de werknemer en de werkgever publiekelijk wordt gelegd, maar dat de werknemer niet te verwijten valt, mogen zij geen arbeidsrechtelijke gevolgen hebben.

Dit is echter anders indien de gevolgen voor de werkgever zo ernstig zijn dat het belang van de aan de werknemer toekomende vrijheid van meningsuiting en het belang van de werknemer bij handhaving van zijn dienstverband daaraan ondergeschikt moeten zijn. Compensatie van het nadeel van de werknemer - het dienstverband moet worden beëindigd terwijl dat de werknemer niet te verwijten valt - dient dan te worden gevonden in een vergoeding.

(terug)

2.6. De reactie van collega's

Het is mogelijk dat collega's het een werknemer zo kwalijk nemen dat hij bepaalde uitingen doet, dat de samenwerking daardoor blijvend onmogelijk wordt.

De vrijheid van meningsuiting mag echter niet worden opgeofferd aan de rust oftewel de eis van conformerend gedrag op het werk.

Als de werknemer zich op een zorgvuldige manier heeft geuit en zijn uiting geen substantiële relatie heeft met zijn arbeid, is de daardoor ontstane verstoring van de arbeidsrelatie niet aan de werknemer verwijtbaar. Toch kan er geen andere oplossing zijn dan de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Maar daarbij zal het feit dat de werknemer geen verwijt kan worden gemaakt van de verstoring van de arbeidsrelatie, gevolgen moeten hebben voor de hoogte van de aan de werknemer toe te kennen vergoeding. Die zal hoger moeten uitvallen.

(terug)

3. Maatschappelijk relevante uitingen

Het is ook mogelijk dat de werknemer uitingen doet waarbij hij duidelijk blijk geeft van een maatschappelijke betrokkenheid. De uitingen dragen bij aan de openbare meningsvorming.

Een waardering van het belang van de uiting is nodig om een zorgvuldige weging van alle belangen te kunnen verrichten. Daarbij gaat het niet alleen om de uiterlijkheid van de uiting, maar ook om de intenties. Het gewicht van uitingen gericht op de behartiging van eigen belangen wordt over het algemeen gering geacht, zeker wanneer dat belang uitsluitend financieel is.

Een uiting die in onevenredige mate gericht is op de behartiging van eigen belangen ten koste van die van de werkgever zal in een belangenafweging het onderspit delven. Dat zal zonder meer het geval zijn als de werknemer bewust tracht de werkgever schade te berokkenen of die schade had moeten kunnen voorzien terwijl hij geen zwaarwegend belang heeft bij de uiting.

(terug)

3.1. Maatschappelijk relevante uitingen die een relatie hebben met de arbeid

3.1.1. Uitingen, gericht tot de pers

Maatschappelijk relevante uitingen, die een relatie hebben met de arbeid, doen zich onder meer voor als de werkgever in opspraak is geraakt. Juist dan heeft de werkgever belang bij mediastilte. Juist op zo'n moment worden werknemers benaderd met het verzoek om informatie te verstrekken of menen zij daartoe uit eigen beweging over te moeten gaan.

Dat laatste deed een vakbondskaderlid bij Fokker. Hij verzond een pamflet, dat onder duizenden werknemers was verspreid en dat zich in harde bewoording richtte tegen ontslagen, per fax naar verschillende kranten.
Daarop werd hij op staande voet ontslagen. De kantonrechter stelde hem echter in het gelijk, en wees de door het kaderlid gevraagde tewerkstelling toe: 'De bewoordingen van het pamflet geven blijk van een in de gegeven omstandigheden uiterst begrijpelijke geëmotioneerdheid. Gezien de vakbondsfunctie van eiser is hem er onvoldoende verwijt van te maken dat hij naast al hetgeen van de zijde van de bedrijfsleiding in de pers was verschenen ook deze uiting van onvrede en bereidheid tot actie in de openbaarheid wilde brengen.' De intentie van de werknemer blijkt hier van een doorslaggevend belang voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uiting.
De verwijtbaarheid van het zoeken van publiciteit aan de zijde van de werknemerblijkt dus mede afhankelijk te zijn van de mededelingen van de werkgever aan de pers.

Een werknemer mag zijn werkgever met gelijke munt betalen. Zoekt de werkgever publiciteit, dan kan de werknemer het recht niet worden ontzegd op eenzelfde wijze te reageren, dus ook de publiciteit te zoeken. Voorwaarde is wel dat zijn intenties zuiver zijn, dus niet rancuneus of uitsluitend op eigen belang gericht.

(terug)

3.1.2. Uitingen, gericht tot collega's, de werkgever of klanten

Een werknemer kan binnen het bedrijf van de werkgever maatschappelijk relevante uitingen doen, die gericht zijn tot collega-werknemers, de werkgever of klanten.

Voor zover deze uitingen samenhangen met de positie van de werknemers in het bedrijf, moet de werkgever ze toestaan. Denk bijvoorbeeld aan voorlichtings- en wervingsactiviteiten van een vakbond. Die moet de werkgever toestaan, mits ze de voortgang van de werkzaamheden niet belemmeren en de belangen van de werkgever niet onevenredig schaden.

Dezelfde regel geldt ook voor discussies met politieke of maatschappelijke onderwerpen die werknemers onderling voeren onder het verrichten van de arbeid of in pauzes. Het uitdragen van niet-algemeen aanvaarde of extreme politieke stellingen tijdens werktijd zal in beginsel zonder arbeidsrechtelijke gevolgen moeten blijven. Van de collega-werknemers en de werkgever mag de nodige tolerantie worden gevergd. Dat wordt anders als de uitingen nodeloos grievend zijn en daardoor leiden tot een verstoring van de arbeidsverhouding. Denk daarbij aan discriminerende opmerkingen. Van een werkgever wordt zelfs verwacht dat hij tegen dergelijke uitingen optreedt.

Of de uiting toelaatbaar is hangt ook af van de vraag aan wiens adres de uiting is gericht. In het algemeen hoeft de werkgever niet toe te staan dat klanten worden geconfronteerd met uitingen van de werknemer, die alleen de relatie van werkgever en werknemer betreffen.

De kantonrechter vindt het ontoelaatbaar dat een buschauffeur aan collega's, chauffeurs van andere busbedrijven en passagiers uitvoerig mededeling doet van een loonbetalingsgeschil dat hij met zijn werkgever heeft.

Evenmin hoeft de werkgever toe te staan dat klanten worden geconfronteerd met opvattingen van de werknemer, die afwijken van die van hem. Dat is weer anders als de werknemer door de klant gevraagd wordt naar zijn opvattingen.

Een meubelverkoper vindt dat zijn werkgever een slechte bank in het assortiment heeft. Hij mag dat niet ongevraagd melden aan een klant, die door een andere verkoper wordt bediend en die overweegt de bank aan te schaffen. Als de klant daarentegen hem vraagt naar zijn oordeel over de betreffende bank, dan mag hij wel de minpunten noemen

(terug)

3.1.3. Uitingen in relatie tot het doel van de werkgever

Het komt voor dat een werknemer buiten werktijd blijk geeft van opvattingen die strijdig zijn met het doel van de werkgever.

Een bankmedewerker deelt pamfletten uit waarin het kapitalistische gedrag van banken aan de kaak wordt gesteld.

Daarbij is van belang of de arbeid van de werknemer, na de uitingen, nog kan strekken ter realisering van het doel dat de werkgever met het laten verrichten van de arbeid voor ogen staat. Dat kan nog, indien de uitingen van de werknemer de bijdrage van zijn arbeid aan het streven van de werkgever niet beïnvloeden. De belangenafweging kan ten nadele van de werknemer uitvallen wanneer hij zelf de relatie legt tussen zijn politieke of maatschappelijke opvattingen en zijn werkzaamheden.

Als de werknemer de relatie tussen meningsuiting en arbeidsovereenkomst op een zodanige wijze legt, dat de werkgever de uitingen kunnen worden aangerekend, dan kan een dergelijke uiting voor de werknemer negatieve arbeidsrechtelijke gevolgen hebben. Datzelfde is het geval als de werknemer de indruk wekt dat de werkgever achter de inhoud van die uiting staat. Als de werknemer het bestaan van zijn dienstbetrekking tracht uit te buiten als extra argument voor zijn opvattingen, geldt hetzelfde.

(terug)

3.1.4. Uitingen, gericht op verandering van de arbeidsorganisatie

Werknemers komt het recht toe zich als vakbondslid te manifesteren en binnen de onderneming propaganda voor een vakbond te maken. Uitingen gericht op een wijziging van de bedrijfsvoering moeten door de werkgever evenzeer met tolerantie worden bezien. Het streven van werknemers naar invloed op de inrichting van de arbeid en de arbeidsorganisatie moet als een maatschappelijk belang worden beschouwd. Daarvoor is het niet nodig dat dit geschiedt in de functie van ondernemingsraadslid of kaderlid van een vakbond.

In beginsel dient een werkgever toe te staan dat werknemers streven naar medezeggenschap over doel en werkwijze van de organisatie, zolang dat maar op een evenredige wijze gebeurt.

Niet alleen leden van ondernemingsraden, maar ook andere personeelsvertegenwoordigers dienen zich beargumenteerd te kunnen uitspreken tegen het beleid van de ondernemingsleiding zonder het risico van ontslag te lopen. Overigens mag iedere werknemer wensen ten aanzien van de arbeidsorganisatie kenbaar maken.

Werknemers ondertekenen een open brief aan de directie. Daarin wijzen ze op enkele knelpunten binnen het instituut. Die moeten volgens de brief worden opgelost, om het functioneren van het hele bedrijf te verbeteren.
Volgens de kantonrechter in Maastricht moet het tekenen van de brief worden opgevat als uitgangspunt om te komen tot een vruchtbare dialoog en niet als een gebrek aan loyaliteit.

Als werkgever en werknemer van mening verschillen over de inrichting van de arbeid of de organisatie, dan zullen ze de discussie daarover binnenshuis moeten voeren. Dat is anders als de werkgever zelf hierover de publiciteit heeft gezocht of in de publiciteit is geraakt vanwege die discussie (zie paragraaf 3.1.1.), als de opstelling van de werkgever in de discussie onredelijk is en blijft, of als het algemeen belang een snellere aanpak vergt dan de werkgever wenst (zie hoofdstuk 6).

(terug)

3.2. Maatschappelijk relevante uitingen zonder relatie met de arbeid

Een voorbeeld van een maatschappelijk relevante uiting, die geen relatie heeft met de arbeid, is de oproep van een werknemer als lid van een buurtcommissie, buiten werktijd en -plaats, om op een vrije dag te demonstreren voor de komst van verkeersdrempels in de buurt. Uitzonderingen daargelaten heeft de werkgever rechtens geen mogelijkheden om dergelijke uitingen te beperken.

(terug)

4. Maatschappelijk irrelevante uitingen

Hierbij gaat het om uitingen die uitdrukking zijn van de menselijke behoefte deel van een geheel te zijn en binnen dat geheel een mening te ventileren.

4.1. Maatschappelijk irrelevante uitingen die een relatie hebben met de arbeid

Onder omstandigheden kan de werkgever dergelijke uitingen beperken.

(terug)

4.1.1. Belediging of bedreiging

Het mishandelen, grovelijk beledigen of op ernstige wijze bedreigen van de werkgever, diens familieleden of huisgenoten of zijn medewerknemers is een dringende reden voor ontslag op staande voet (artikel 7:678 lid 2 onder e van het Burgerlijk Wetboek). Belediging of bedreiging is een vorm van openbaarmaking van een gedachte of gevoelen.

Werknemers die een bijdrage aan de discussie trachten te leveren is het toegestaan dat op een ongezouten wijze te doen: de werkgever moet in dergelijke gevallen wel wat kunnen hebben.

Een werknemer meldt tijdens een bespreking met de directeur dat hij wil praten over 'die schijtbrief' en stelt na een toelichting daarop dat hem de mond gesnoerd wordt met 'mooie praatjes'. De kantonrechter ziet hierin geen dringende reden voor ontslag.

De werkgever hoeft echter niet te tolereren dat daarmee de gezagsverhoudingen

binnen het bedrijf worden geschaad.

Een werkneemster - tevens aandeelhoudster - noemt de directeur 'schijtlaars' en 'lafaard' in aanwezigheid van een andere werknemer. De rechtbank acht in dit geval het ontslag niet onredelijk, ook al werden de uitlatingen gedaan naar aanleiding van een verhitte discussie in de aandeelhoudersvergadering.

In het algemeen geldt dat een werknemer ook beschermd wordt als hij de werkgever in een opwelling ernstig bedreigt of grof beledigt, als het de werkgever is die daartoe aanleiding heeft gegeven.

Het tegen de directeur roepen door een werknemer 'dat liegt u', in het bijzijn van derden naar aanleiding van een ongemotiveerd verwijt van die directeur, is volgens de rechtbank geen dringende reden voor ontslag.
Een chef zaagt door over de vraag of en zo ja hoelang een werknemer arbeidsongeschikt zal blijven. De daardoor geïrriteerde werknemer dreigt zijn chef 'het gezicht te verbouwen'. Dit is volgens de kantonrechter onder de gegeven omstandigheden geen dringende reden voor ontslag.

Er is dus een direct verband tussen de mate waarin het de werkgever kan worden verweten dat de werknemer emotioneel reageert, en de arbeidsrechtelijke gevolgen van de belediging of bedreiging door die geëmotioneerde werknemer.

Als de belediging of bedreiging schriftelijk gebeurt, zal dat eerder tot arbeidsrechtelijke gevolgen leiden, omdat dan minder sprake is van een emotionele opwelling.

Ook de manier waarop de twee partijen normaal met elkaar omgaan, is van belang voor de beoordeling van mogelijke gevolgen van een belediging of bedreiging.

Aan de werkgever kunnen in het algemeen hogere eisen worden gesteld ten aanzien van communicatie en oplossend vermogen dan aan de werknemer.

(terug)

4.1.2. (Seksuele) intimidatie en pesten

De werkgever moet zich inspannen om te voorkomen dat werknemers binnen de organisatie het slachtoffer worden van (seksuele) intimidatie en pesterijen door andere werknemers. In het algemeen geldt dat de werkgever niet eenvoudig een werknemer kan ontslaan wegens grove belediging of bedreiging of anderszins (seksueel) intimideren of pesten van een collega. Dit wordt echter anders als de werkgever andere werknemers tracht te beschermen tegen dergelijke uitingen, zeker als dat gebeurt overeenkomstig vooraf geformuleerd beleid.

Leestips
Wat je moet doen als je het slachtoffer wordt van seksuele intimidatie of wanneer je daarvan getuige bent, staat in: De 13 meest gestelde vragen over seksuele intimidatie, FNV-brochure, Amsterdam, 2001. Voor bestellingen: zie Adressen.

Wat onder pesten wordt verstaan, waarom er gepest wordt en wat er aan te doen is, lees je in: De 13 meest gestelde vragen over pesten op het werk, FNV-brochure, Amsterdam, oktober 1998.

(terug)

4.1.3. Discriminatie

Wat voor pesten geldt, geldt ook voor discriminatie. De werkgever moet zich inspannen om te voorkomen dat werknemers binnen de organisatie het slachtoffer worden van discriminatie door andere werknemers. Doet hij dat niet of onvoldoende, dan maakt hij zich zelf schuldig aan discriminatie. In het algemeen geldt dat de werkgever niet eenvoudig een werknemer kan ontslaan wegens discriminatie van een collega. Dit wordt echter anders als de werkgever andere werknemers tracht te beschermen tegen discriminerende uitingen, zeker als dat gebeurt overeenkomstig vooraf geformuleerd beleid.

(terug)

4.2. Maatschappelijk irrelevante uitingen zonder relatie met de arbeid

Een voorbeeld van een uiting zonder maatschappelijk belang en zonder relatie tot de arbeid is het oordeel dat een werknemer buiten werktijd en -plaats uitspreekt over de prestaties van zijn favoriete voetbalclub. De werkgever heeft geen mogelijkheden om dergelijke uitingen te beperken.

(terug)

5. Bekendmaken van bedrijfsgeheimen

Bij het bekendmaken van bedrijfsgeheimen gaat het om uitingen van een werknemer over feiten die te maken hebben met de te verrichten arbeid of de onderneming van de werkgever. Deze uitingen hebben per definitie een relatie met de arbeid. De werkgever kan daarom dergelijke uitingen beperken.

(terug)

5.1. Algemeen geldende wettelijke geheimhoudingsplicht

Het bekendmaken van bijzonderheden met betrekking tot de huishouding of het bedrijf van de werkgever, die geheim behoren te worden gehouden, is een in de wet genoemd voorbeeld van een geldige reden voor ontslag op staande voet (artikel 7:678 lid 2 onder i van het Burgerlijk Wetboek).

Een werknemer - die zich immers als goed werknemer heeft te gedragen (artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek) - zal zich dan ook werkelijk aan die geheimhoudingsplicht moeten houden.

Het gaat onder meer om gegevens die voor de werkgever een economische waarde vertegenwoordigen en dus van directe invloed kunnen zijn op zijn concurrentiepositie. Uit vrees dat dit soort gegevens bij een concurrent terechtkomen, sluit de werkgever soms een concurrentiebeding.

Verder gaat het om gegevens die de werknemer ter ore komen en waarvan de bekendmaking onrust teweeg kan brengen bij de overige werknemers of bij derden of in onevenredige mate hun belangen schendt.

Een werkgever vraagt een werknemer om hem geld te lenen. De werknemer vertelt dat aan collega's. Daarop wordt de werknemer op staande voet ontslagen. De kantonrechter vindt dat terecht. De werknemer had moeten begrijpen dat het verzoek om geld te lenen geschiedde onder de stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding. De mededeling aan collega's leidde tot ongewenste verhoudingen.
Een werkgever vraagt bij de directeur van het arbeidsbureau een ontslagvergunning aan voor een van zijn werknemers wegens economische redenen. Een andere werknemer is hierbij betrokken, en krijgt daardoor inzage in de slechte financiële positie van het bedrijf. Als hij die met een collega bespreekt, wordt hij op staande voet ontslagen. Terecht volgens de kantonrechter: dat had hij niet mogen doen zonder ruggespraak met de werkgever.

Het formuleren en bekendmaken van conclusies op basis van bijzonderheden die geheim behoren te blijven, wordt in dit soort gevallen gelijkgesteld met het prijsgeven van die bijzonderheden zelf.

Voor ontslag op staande voet is niet perse nodig dat de werknemer opzettelijk geheimen prijsgeeft of dat hem geheimhouding is opgelegd.

Van bekendmaken is sprake als de bijzonderheid wordt meegedeeld aan iemand voor wie die bijzonderheid een geheim behoort te blijven.

Onder bekendmaken valt niet het op de juiste plaats bespreken van bijzonderheden, zoals het gebruik maken van een klachtrecht bij een interne klachtencommissie en het bespreken van bijzonderheden tijdens functionerings- of beoordelingsgesprekken.

Het aan de kaak stellen van een al dan niet vermeende misstand (zie hoofdstuk 6) rechtvaardigt geen sancties van de werkgever indien de werknemer dat doet bij iemand van wie niet gezegd kan worden dat voor diegene de bijzonderheid geheim behoort te blijven. Dat kan, afhankelijk van de aard van de bijzonderheid, bijvoorbeeld een belangrijke geldschieter zijn of de officier van justitie.

Na beëindiging van het dienstverband kan de werkgever eventueel een actie uit onrechtmatige daad instellen, wanneer de oud-werknemer bijzonderheden bekendmaakt.

(terug)

5.2. Contractuele geheimhoudingsverplichting

In de arbeidsovereenkomst komen vaak aanvullende bepalingen voor over de geheimhoudingplicht. Soms gaat het om een algemeen verbod om bijzonderheden over het bedrijf bekend te maken. Een werknemer kan zo'n algemene bepaling soms gemakkelijk overtreden zonder dat hij zich daarvan bewust is. Vaak staat er een boete op overtreding van de geheimhoudingsplicht.

Een werknemer solliciteert naar een andere baan. Tijdens de sollicitatieprocedure stuurt hij de beoogde nieuwe werkgever op diens verzoek enkele gegevens over zijn taakomschrijving en salarisschaal. De oude werkgever legt hem de overeengekomen standaardboete van 10.000 gulden op voor overtreden van de algemene geheimhoudingsplicht. De kantonrechter verlaagt de boete naar 1.000 gulden.

In veel gevallen zegt de arbeidsovereenkomst dat de geheimhoudingsplicht doorloopt na het einde van het dienstverband. Dit wordt vaak gecombineerd met een concurrentiebeding.

Een beroep op de vrijheid van meningsuiting wordt door de rechter doorgaans weggewuifd.

Een werknemer doet een beroep op de vrijheid van meningsuiting. De rechtbank merkt op dat de geheimhoudingsverplichting de werknemer niet zijn vrijheid van meningsuiting ontneemt, maar hem slechts de door hem zelf aanvaarde beperkingen daarin oplegt.
Let op
In de praktijk houden rechters in hun beoordeling van een overeengekomen geheimhoudingsplicht geen rekening met de vrijheid van meningsuiting. Dat de advocaten van de werknemer zich hier te weinig op beroepen, is slechts één van de oorzaken.

Volgens de FNV zouden rechters de vrijheid van meningsuiting wel degelijk moeten meewegen. De rechter zou moeten beoordelen of de beperking van de vrijheid van meningsuiting nodig is een democratische samenleving ter bescherming van de gerechtvaardigde belangen van de werkgever.

Daarbij geldt:
Deze regels vloeien voort uit artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Volgens dit artikel moet de werkgever zich bij het beperken van de vrijheid van meningsuiting blijven gedragen als een 'goed werkgever'.

Omdat de FNV niet gelukkig is met de vérgaande geheimhoudingsplicht waar de Nederlandse rechters van uitgaan, pleit de vakcentrale voor een speciale bepaling in het Burgerlijk Wetboek (zie ook paragraaf 1.2):

'De werknemer is verplicht tot geheimhouding van bijzonderheden aangaande de onderneming waarvan hij het vertrouwelijke karakter begrijpt of moet begrijpen en waarvan hij kennis draagt door het dienstverband, tenzij hij bij de bekendmaking daarvan een zwaarwichtiger belang heeft dan de werkgever bij geheimhouding of in redelijkheid kan menen dat het algemeen belang de bekendmaking noodzakelijk maakt. '

(terug)

5.3. Opdracht tot geheimhouding

Zoals we zagen kunnen werkgever en werknemer in het arbeidscontract een geheimhoudingsplicht overeenkomen. Daarnaast bestaat er de opdracht tot geheimhouding die door de werkgever wordt opgelegd. De opdracht tot geheimhouding moet echter wel aan enkele wettelijke voorschriften voldoen (artikel 7:660 van het Burgerlijk Wetboek): de opdracht moet samenhangen met de arbeid of de goede orde van de onderneming en overigens gegeven worden binnen de perken van algemeen verbindend voorschrift of overeenkomst.

Let op
Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is een algemeen verbindend voorschrift. Je zou dan ook verwachten dat rechters een opdracht tot geheimhouding daaraan toetsen. In de praktijk doen ze dit echter niet.

Opdrachten tot geheimhouding komen vooral voor in drie specifieke situaties:

  1. Een bepaalde werknemer heeft al een aantal bijzonderheden over zijn werk 'aan de grote klok gehangen', en de werkgever wil voorkomen dat hij nog meer bekend maakt.
  2. Een werknemer wordt belast met speciaal soort werk en krijgt alleen voor dat werk een geheimhoudingsplicht.
  3. De organisatie is in opspraak geraakt en de werkgever wil door afkondigen van een mediastilte in rustiger vaarwater terechtkomen.
Een prostitutieveldwerkster beschuldigt collega's ervan dat ze prostituees misbruiken voor eigen gerief. Van haar werkgever mag ze geen uitspraken of mededelingen meer doen naar de pers, zolang hij nog onderzoekt of de beschuldiging waar is. De President van de rechtbank vindt deze opdracht gerechtvaardigd.

(terug)

5.4. Strafrechtelijke sancties bij schending

De werkgever die wil dat schending van bedrijfsgeheimen strafrechtelijk wordt vervolgd, kan daarvoor zelf zorgen door een plicht tot geheimhouding van bijzonderheden op te leggen. De werknemer die deze geheimhoudingsplicht met opzet schendt, kan worden vervolgd op grond van artikel 273 van het Wetboek van Strafrecht. De werkgever moet dan wel een klacht indienen. Vaak wil de werkgever echter de publiciteit voorkomen, waarmee een strafrechtelijke vervolging vaak gepaard gaat.

De werknemer is niet strafbaar, als hij te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het algemeen belang de bekendmaking vereiste. Bijvoorbeeld als hij de informatie bekend heeft gemaakt om ernstige calamiteiten, zoals milieurampen, te voorkomen.

De geheimhoudingsplicht hoeft niet bij overeenkomst te worden opgelegd. De werkgever kan dat ook eenzijdig doen (zie paragraaf 5.3).

Daarbij is het niet nodig dat het om echte geheimen gaat. De geheimhoudingsplicht kan ook betrekking hebben op het aantal werknemers in een bedrijf of om een loonstrookje.

Het doet er ook niet toe of de werknemer in zijn belangen wordt geschaad als hij de informatie niet verstrekt. Bijvoorbeeld als hij gegevens over zijn huidige salaris nodig heeft bij het solliciteren naar een andere baan.

(terug)

5.5. Geheimhoudingsplicht van OR-leden

Leden van de ondernemingsraad zijn verplicht tot geheimhouding van alle zakelijke en bedrijfsgeheimen die ze als OR-lid vernemen (artikel 20 van de Wet op de ondernemingsraden). Schending van deze geheimhoudingsplicht is strafrechtelijk vervolgbaar op grond van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht.

Ook moeten ze alles geheimhouden waarover de ondernemer dan wel de ondernemingsraad hen geheimhouding heeft opgelegd of waarvan ze in verband met deze oplegging het vertrouwelijke karakter moeten begrijpen. Een schending van deze opgelegde geheimhoudingsplicht kan worden vervolgd op grond van artikel 273 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitgangspunt is dat de geheimhouding vooraf wordt opgelegd, dus vóór het verstrekken van de informatie.

Tip
De OR doet er verstandig aan het uitgangspunt dat de geheimhouding vooraf wordt opgelegd, vast te laten leggen in een harde regel. Dat geeft hem de gelegenheid per geval te beslissen of hij bepaalde informatie wel onder geheimhouding wil krijgen. Ook is het goed om vast te leggen dat degene die de geheimhouding oplegt (de ondernemer of de ondernemingsraad) aangeeft welke informatie onder de geheimhouding valt, met welke reden, ten opzichte van wie de geheimhouding geldt en voor hoe lang.
Deze regels moeten worden vastgesteld door de werkgever. Het is niet altijd zeker of die dat wel wil. Eventueel kan dan in de CAO worden vastgelegd dat de werkgever op deze manier moet omgaan met het opleggen van geheimhouding en het verstrekken van informatie onder geheimhouding.

Schending van de geheimhoudingsplicht door een OR-lid kan leiden tot ontslag op staande voet.

(terug)

5.6. Naleving van de geheimhoudingsplicht

Werkgevers hebben veel manieren om uitingen waarvan ze niet gediend zijn af te straffen. Vaak is het uiteindelijk gevolg dat de werknemer zijn werk kwijtraakt (zie paragraaf 6.1). Werknemers weten dat en nemen doorgaans geen enkel risico.

(1994) De Binckhof heeft schrikbewind: "Wie op De Binckhof uit de school klapt, hangt ontslag boven het hoofd. Dat gaat volgens een beproefde methode. Eerst wordt je uitgenodigd voor een vrijblijvend onderhoud. Als je er dan zit, gaat het ineens over je functioneren, en aan het eind van het liedje deug je niet voor je werk."
(1994) Mondje dicht, baantje weg: werken bij IBM: "Werknemers van IBM mogen niet meer met journalisten praten. Bij overtreding van dit verbod volgen disciplinaire maatregelen, zo dreigt directeur A.L.".
(1996) Kwik-fit maakt vuile handen: "Vorige week ging er nog een brief rond, ondertekend door de directie. 'Werknemers die tegen buitenstaanders uit de school klappen, kunnen rekenen op sancties', was de heldere boodschap".
(2000) Cor (centrale ondernemingsraad) niet bezorgd over zwijgplicht werknemers Laurus: "Laurus heeft al zijn werknemers schriftelijk verboden om nog één mond open te doen tegen journalisten, op straffe van ontslag op staande voet."

De werkgever probeert een aanleiding te creëren voor ontslag. Of hij zal het voor de werknemer zo onaangenaam maken, dat die zelf niet meer wil blijven. De werkgever heeft het in zijn macht om de vertrouwensband en collegiale samenwerking met andere werknemers te ondergraven. Op die manier kan hij toewerken naar een beëindiging van het dienstverband. Deze methodes worden daadwerkelijk toegepast.

(terug)

6. Melden van misstanden, intern en extern. Klokkenluiden.

Een werknemer kent de organisatie van zijn werkgever vaak door en door. Hij heeft kennis van vele activiteiten die daar worden verricht, ook als dat zaken zijn die absoluut niet door de beugel kunnen. Daarbij gaat het om misstanden die veelal niet aan de orde gesteld of opgelost kunnen worden via de normale kanalen (bespreking in werkoverleg, attenderen van chef, Arbo-dienst of ondernemingsraad, indienen van een klacht, enzovoort).

Waar we in dit verband op doelen, zijn zaken die in het algemeen belang hoe dan ook opgelost dienen te worden, desnoods met hulp van buiten. De werkgever licht bijvoorbeeld de overheid voor tonnen op. Of mensen buiten de organisatie lopen groot gevaar doordat het bedrijf de veiligheidsvoorschriften niet wil naleven. Of er dreigt een milieuramp door keuzes van het bedrijf.

Het gaat hier dus om een speciale categorie bijzonderheden over het bedrijf, die desalniettemin als bedrijfsgeheimen worden beschouwd (zie paragraaf 6.5.1).

Wat moet de werknemer in een dergelijk geval doen: melden of mond houden? Hij wordt geconfronteerd met vragen over loyaliteit en waarheidsgetrouwheid en met zijn geweten. En hij wordt geconfronteerd met de maatschappelijke belangen die geschonden worden tegenover persoonlijke belangen als de carrière en behoud van werk.

De wetgever heeft het bekendmaken van bijzonderheden aangemerkt als reden voor ontslag op staande voet. Daardoor legt hij civielrechtelijk de nadruk op de loyaliteit die van de werknemer wordt gevergd ten opzichte van de werkgever. Daarmee vergeleken worden andere maatschappelijke belangen en het geweten van de werknemer achtergesteld.

Die nadruk van de wetgever op de geheimhoudingsplicht wordt nog eens onderstreept door de jurisprudentie. Daarbij komt dan vaak nog een uitdrukkelijk verbod in de arbeidsovereenkomst om bijzonderheden bekend te maken.

(terug)

6.1. Interne melding van misstanden

Als de werknemer besloten heeft niet zijn mond te houden maar de misstand aan de orde te stellen, is het meestal bepaald onverstandig die meteen aan de grote klok te hangen. De werknemer moet met grote zorgvuldigheid te werk gaan.

Het publiekelijk bekendmaken van een misstand kan tot grote schade voor de werkgever leiden, die niet altijd in verhouding staat tot de al dan niet vermeende misstand. De vraag is ook of alleen op deze schadelijke wijze de misstand kan worden weggenomen. Zo niet, dan ligt een interne melding bij de werkgever voor de hand. Deze melding mag niet tot benadeling van de werknemer leiden. Anders gedraagt de werkgever zich niet zoals een goed werkgever betaamt.

Een werknemer stelt kritische vragen aan zijn vestigingsdirecteur en wordt ontslagen. Maar volgens de kantonrechter kan de werknemer moeilijk worden verweten dat hij die vragen heeft gesteld. Gezien de strafrechtelijke procedure die tegen de vestigingsdirecteur loopt, was een interne discussie over de ethiek van het zakendoen wellicht geen overbodige luxe. Hoe dan ook: deze discussie mag de werknemer toch niet zijn baan kosten.

In de praktijk leidt interne melding echter vaak wel tot benadeling.

De werkgever kan allerlei methodes gebruiken om de werknemer het zwijgen op te leggen en anderen af te schrikken. Bijvoorbeeld ontslag, schorsing, betaald verlof, op een zijspoor zetten, overplaatsing, ondermijnen van de geloofwaardigheid van de werknemer door hem gek te laten verklaren, door collega's tegen hem op te zetten, door collega's valse verklaringen te laten ondertekenen, door intimidatie, pesten, treiteren, kleineren, isoleren, fysiek geweld, plotseling slechte beoordeling, onthouden van promotie, op een zwarte lijst zetten.

Tip
Vaak is het aan te bevelen de OR in te schakelen om misstanden aan de orde te stellen.
Let op
Dit leidt niet altijd tot het gewenste resultaat.

Als de werkgever onfrisse methodes hanteert om een werknemer het zwijgen op te leggen, zal hij dat natuurlijk niet toegeven. Dat stelt de werknemer, die zich (eventueel voor de rechter) wil verweren, voor een bewijsprobleem: hij zal aannemelijk moeten maken dat hij een misstand heeft gemeld en dat hij daarom benadeeld wordt.

Tip
Het is verstandig de datum van interne melding van een misstand en de daarop volgende, daarmee samenhangende gebeurtenissen te noteren en daarvan één of meer personen buiten de organisatie vertrouwelijk op de hoogte te stellen. Daarbij verdient het aanbeveling die personen zo te kiezen, dat later desnoods tenminste één van hen als betrouwbare getuige kan optreden.

Als de werkgever op de hoogte is van de misstand en deze bewust laat voortbestaan, zal hij na de interne melding geen actie ondernemen om de misstand op te heffen. De werknemer die hiermee geen genoegen neemt, ziet zich dan genoodzaakt om hulp van buiten in te roepen.

(terug)

6.2. Extern melden van misstanden

Soms durft een werknemer een misstand niet bij zijn werkgever te melden. Omdat hij zeker weet (of denkt te weten) dat die melding hem zó kwalijk zal worden genomen, dat hem vervolgens het werken feitelijk onmogelijk wordt gemaakt.

Ook is het mogelijk dat de werknemer zeker weet dat de werkgever aandachtig naar zijn melding zal luisteren, maar vervolgens niets aan de misstand zal doen. Of de werknemer heeft na een interne melding zelf ervaren dat de misstand niet wordt weggenomen.

In dergelijke gevallen kan de werknemer een derde inschakelen van buiten de organisatie. Hij zal dit alleen doen, als hij er op kan vertrouwen dat hij daardoor geen nadeel zal ondervinden. Of hij doet het toch omdat hij het zó belangrijk vindt, dat hij de eventuele nadelen voor lief neemt.

Voordat de werknemer een derde inschakelt moet hij er op z'n minst redelijkerwijs van uit kunnen gaan, dat de werkgever de misstand niet of niet op tijd zal aanpakken.

Melding aan een derde zonder dat de werkgever wordt ingelicht, is in het algemeen niet onzorgvuldig, zolang van die derde discretie kan worden verwacht (zie paragraaf 5.1).

'Derden' kunnen in dit verband zijn: de politie, de officier van justitie, de milieu-inspectie, de arbeidsinspectie, vakbonden, de bank of een andere geldschieter.

Informeren van een derde is alleen zinvol als van die derde mag worden verwacht dat die naar aanleiding van de informatie actie onderneemt en probeert iets aan de misstand te doen.

Let op
In de praktijk is uiterst onzeker hoe de rechter zal oordelen.

Voorbeeld 1:
Een werknemer van Security Monitoring Centre B.V. te Tiel denkt dat zijn werkgever de Arbeidstijdenwet overtreedt. Hij schakelt daarom een bestuurder van FNV Bondgenoten in. De bestuurder vraagt om meer informatie en speelt die door naar de Arbeidsinspectie. De werkgever komt hier achter en vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Volgens hem heeft de werknemer geheime informatie aan derden verstrekt. De kantonrechter is het daarmee eens. De arbeidsovereenkomst wordt met onmiddellijke ingang ontbonden. Zonder enige vergoeding.

Voorbeeld 2
Een werknemer - voorman - maakt met twee collega's prefab bekistingsputten. Zijn werkgever draagt hem op ander werk te gaan doen. De voorman protesteert. Hierdoor zal een onveilige en gevaarlijke situatie ontstaan. Het werk aan de bekistingsputten moet door tenminste drie personen gebeuren. De werkgever houdt voet bij stuk en geeft de voorman nogmaals opdracht dat andere werk te gaan doen. De werknemer loopt weg en komt terug met twee inspecteurs van de Arbeidsinspectie. Daarop wordt hij op staande voet ontslagen wegens weigering een gegeven opdracht uit te voeren. In dit geval acht de kantonrechter dat ontslag onterecht. Als een werknemer een redelijk vermoeden heeft dat een bepaalde situatie onveilig is en hij zich na vergeefse waarschuwing aan de werkgever wendt tot de Arbeidsinspectie, is er geen dringende reden voor ontslag op staande voet. Of de Arbeidsinspectie wel of niet tot het oordeel komt dat de situatie onveilig was doet er verder niets toe. Op die manier wordt voorkomen dat een verkeerde inschatting van risico's op het werk wordt bestraft met ontslag op staande voet. Een ander oordeel zou er immers toe leiden dat een werknemer die een redelijk vermoeden heeft dat een werksituatie onveilig is die de werkgever niet wil verhelpen, een ontslag op staande voet riskeert als hij naar de Arbeidsinspectie stapt, maar die de situatie anders beoordeelt. Dat zou de werknemer ervan kunnen weerhouden zonodig de Arbeidsinspectie te raadplegen.
Let op
Business Software Alliance (BSA) houdt zich bezig met het opsporen van illegale software. De organisatie haalt met enige regelmaat forse publiciteit met behulp van invallen in bedrijven die illegale software gebruiken. De kennis over het illegale gebruik krijgt BSA van werknemers, die over de streep worden getrokken met een geldelijke beloning. Maar wie zijn werkgever op deze manier verklikt, loopt grote arbeidsrechtelijke risico's.

Er is een misstand, en de werknemer heeft dit gemeld aan een derde buiten het bedrijf. Als de misstand door deze derde in de publiciteit komt, kan dat de werknemer in beginsel niet worden aangerekend. Dat kan weer wel als de werknemer wist of behoorde te weten dat de derde die informatie in de openbaarheid zou brengen. In dat laatste geval kan de openbaarmaking de werknemer worden aangerekend, met alle gevolgen van dien. Ook hier is het oordeel van de rechter echter niet voorspelbaar.

Vijf vrouwelijke werknemers informeren FNV Bouw over discriminatie. De bond schakelt de media in. De werkgever eist voor de rechtbank ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor één van de klaagsters. De rechtbank wijst de vordering toe. Volgens hem heeft de bond te snel en te lichtvaardig de media ingeschakeld. Dat kan de werkneemster worden verweten: zij heeft niet onmiddellijk aan de werkgever laten weten dat zij het niet eens was met het optreden van de bond.

Ook al is een melding anoniem, toch kan een werkgever vaak wel afleiden van wie de melding afkomstig moet zijn, alleen al vanwege de inhoud van de melding.

(terug)

6.3. Meldingsplicht?

Wie kennis neemt van een zeer ernstig misdrijf (omschreven in artikel 160 van het Wetboek van Strafvordering) is verplicht daarvan aangifte te doen bij justitie. Verder heeft ieder burger het recht aangifte te doen van welk strafbaar feit dan ook.

Het gebruik maken van een wettelijke bevoegdheid mag een werknemer niet worden aangerekend. Maar in de praktijk kan de werkgever de werknemer die aangifte doet wel degelijk benadelen.

De werknemer die uit angst voor zijn werkgever meedoet aan diens misdrijven, in gewetensnood komt, een dossier opbouwt en vervolgens aangifte doet, loopt het risico om zelf te worden veroordeeld, wanneer hij eindelijk aangifte doet. Treuzelen met het doen van aangifte is riskant.

Een werknemer komt in 1989 als boekhouder in dienst bij een nieuwe werkgever. Aan het eind van dat jaar constateert hij dat de boekhouding helemaal niet klopt. Midden 1990, na een periode van ziekte, begint hij een dossier aan te leggen. Eind 1990 geeft hij dat dossier aan de politie. Tegelijkertijd doet hij aangifte van een forse fraude. Hij wordt verhoord, en nog een keer verhoord. Na het tweede verhoor blijkt hij te worden aangemerkt als verdachte. Eind van het liedje is dat de boekhouder strafrechtelijk wordt veroordeeld. Wegens het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Een meldingsplicht van de werknemer verdraagt zich eigenlijk niet met diens positie als ondergeschikte die afhankelijk is van de arbeid van de werkgever.

(terug)

6.4. Melding aan de media

Een journalist heeft in principe het recht zijn bronnen geheim te houden. Dit 'verschoningsrecht' is overigens niet helemaal onomstreden. Het biedt echter enige zekerheid aan de werknemer, die iets wil doen aan misstanden bij zijn werkgever, maar bang is voor de gevolgen als hij het intern aan de orde stelt.

Het journalistieke verschoningsrecht voegt echter nauwelijks iets toe aan de vrijheid van meningsuiting van de werknemer. Anoniem doorgeven van informatie doet geen recht aan de werknemer die de verantwoordelijkheid op zich neemt voor het wegnemen van een misstand. Hij profileert zich op zo'n moment niet als een verantwoordelijk burger, verricht niet de maatschappelijke voorbeeldfunctie waarop hij aanspraak zou kunnen maken. Door die anonimiteit heeft hij zelf niet de ruimte zijn gedachten en gevoelens te uiten.

De werknemer die al dan niet intern meldt, maar uit angst voor benadeling ook meteen met naam en toenaam naar de pers stapt, kan mogelijk bescherming ondervinden van veel publiciteit. Een werkgever die in de schijnwerpers van de media staat, zal omzichtiger opereren dan de werkgever die dat in beslotenheid kan doen. Het inschakelen van de media draagt op zichzelf echter niet altijd bij aan het wegnemen van de misstand. Bovendien kan de media-aandacht morgen weer weg zijn.

(terug)

6.5. Klokkenluiden

6.5.1. Definitie van het klokkenluiden

Heel hoofdstuk 6 gaat over de melding van misstanden. Vanaf paragraaf 6.2 gaat het om het extern melden van die misstanden. Voor deze externe melder bestaat een naam.

Klokkenluider (in het Engels whistleblower) wordt genoemd de werknemer die - in strijd met zijn geheimhoudingsplicht - zonder toestemming van zijn werkgever een misstand in de onderneming waarin hij werkzaam is aan de grote klok hangt.

'Klokkenluiden' gebeurt niet per ongeluk of uitsluitend ten behoeve van eigen belang. Het is geen verspreking, spionage of ordinair lekken. De klokkenluider heeft nadrukkelijk de bedoeling de noodklok te luiden om de gemeenschap te waarschuwen voor een specifieke, acute of dreigende misstand. Met de openbaarmaking dient de klokkenluider aldus het algemeen belang.

Klokkenluiders worden vaak het slachtoffer van repressie en uitstoting vanuit de organisatie waarin zij werken.

Lees verder over met wat voor soort maatregelen klokkenluiders worden geconfronteerd in: Eindrapportage Meldlijn Klokkenluiders van de FNV, uitgave FNV, Amsterdam, 25 mei 2000 (klik hier voor samenvatting met link naar de rapporten in rtf-formaat).

Klokkenluiden is dus iets anders dan het 'lekken' van informatie. Dat laatste gebeurt anoniem en hoeft geen betrekking te hebben op misstanden.

Bij klokkenluiden gaat het om informatie van enig publiek belang: over gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu, misbruik, veronachtzaming, strafbare feiten, schending van niet-strafrechtelijke regels, misleiding van justitie, e.d. Die informatie zal door de werkgever als 'bijzonderheid aangaande de onderneming' beschouwd worden en in beginsel onder de geheimhoudingsplicht van de werknemer vallen.

(terug)

6.5.2. Bescherming van de klokkenluider

Het arbeidsovereenkomstenrecht gaat uit van de geheimhoudingsplicht en loyaliteit van de werknemer ten opzichte van zijn werkgever.

Klokkenluiden valt echter onder de vrijheid van meningsuiting. Daarmee kunnen misstanden bekend worden gemaakt. Daarom heeft het een groot maatschappelijk belang. Een aantal misstanden zou zonder klokkenluiders niet of pas veel later aan de orde zijn gesteld. Voor zover het intern aan de orde stellen niet tot verbetering leidt, is de druk van de publieke opinie vaak aanleiding tot snelle actie.

Maar met de bescherming van de klokkenluidende werknemer door de wet is het slecht gesteld. Daarom pleit de FNV voor beschermende wetgeving (zie ook hoofdstuk 1).

De FNV pleit bij kabinet en Tweede Kamer voor opname van de bescherming van klokkenluiders in het Burgerlijk Wetboek:
'De werkgever draagt er zorg voor dat de werknemer, die bijzonderheden aangaande de onderneming bekend heeft gemaakt en daarbij een groter belang had dan de werkgever bij geheimhouding of in redelijkheid kon menen dat het algemeen belang de bekendmaking noodzakelijk maakte, niet uit hoofde daarvan wordt benadeeld in zijn positie in de onderneming.'

(terug)

6.6. Do's en don'ts voor wie een misstand wil melden

Een klokkenluider komt vaak in de problemen doordat hij eerder, toen hij de misstand ontdekte, niet kon voorzien dat hij de klok zou moeten luiden. De negatieve reactie van de werkgever op de interne melding was niet voorzien, die van collega's niet en wellicht die van derden ook niet.

Dit hoofdstuk eindigt met een lijstje do's en don'ts. Zeven valkuilen en twaalf tips voor de werknemer die een misstand ontwaart en daarvan melding wil maken, eerst intern en als het nodig is vervolgens ook extern.

(terug)

6.6.1 De zeven valkuilen

Voor werknemers die een misstand willen melden, dreigt een reeks valkuilen.

1. Te goed van vertrouwen

Eén van de meest voorkomende vergissingen van werknemers die een misstand constateren, is dat ze er voetstoots vanuit gaan dat anderen zich net zo veel zorgen over die misstand maken als zijzelf. Vaak denken ze ten onrechte dat het management wel blij zal zijn met de melding en meteen actie onderneemt. Vaak vertrouwen ze ook ten onrechte op steun van collega's.

Een werkneemster wordt gepromoveerd. In haar nieuwe functie merkt ze dat opdrachten worden binnengehaald met behulp van omkoping. Ze meldt dit aan haar directe chef. Die legt haar uit dat dit een gangbare praktijk is. De werkneemster neemt hier geen genoegen mee, en stuurt een memo naar de baas van haar chef. Ze moet bij haar directe chef op het matje komen en krijgt te horen dat ze niet goed functioneert. Als ze de omkopingen aan de orde stelt in een vergadering met collega's, krijgt ze van niemand steun. De praktijk blijkt onderdeel van een systeem van corruptie dat door alle managers wordt geaccepteerd. De werkneemster wordt ontslagen. Dat ontslag vecht ze aan bij de rechter. Tijdens de zitting blijkt tot overmaat van ramp dat haar advocaat meer oog heeft voor de belangen van haar werkgever. Ze verliest de zaak.

2. Niet genoeg bewijzen

Een werknemer kan voor zichzelf voldoende overtuigd zijn van het bestaan van een misstand, terwijl dat toch niet genoeg hard bewijs oplevert om een onderzoek te rechtvaardigen.

Een werknemer merkt dat een groepje collega's bepaalde opgeslagen goederen steeds wegbrengt naar een afgezonderde plek. Hij weet uit ervaring dat dit soort goederen nogal eens gebruikt wordt om drugs te smokkelen. Hij gaat stiekem op onderzoek uit en ontdekt inderdaad de drugs. Kort daarna wordt hij overgeplaatst naar een lagere functie. Hij maakt extern melding van zijn ontdekking. De betrokken collega's ontkennen alles. Er is niet genoeg bewijs om een onderzoek te starten. De werknemer wordt ontslagen.
Dezelfde werknemer krijgt een nieuwe baan, nu bij een transportbedrijf. Daar moet hij de inventaris controleren. Hij ontdekt dat achter een paneel bepaalde goederen worden vervoerd, die niet zijn opgegeven. Controleurs laten die goederen tegen betaling passeren. Wijs geworden na zijn eerdere ervaring verzamelt hij gedetailleerde informatie. Hij maakt foto's en neemt gesprekken op op band. Dan maakt hij toch weer een fout: hij zegt dat een en ander geschiedt met instemming van de leiding van de onderneming. Hiervoor heeft hij geen hard bewijs. Opsporingsambtenaren kunnen niets met zijn aangifte doen. De werknemer raakt ook zijn nieuwe baan weer kwijt.

3. De zaak ongelukkig presenteren

Werknemers die een misstand constateren, schrikken mogelijke medestanders soms af door een ongelukkige presentatie. Die is bijvoorbeeld te emotioneel. Ook komt het nogal eens voor dat de betrokken werknemer zozeer in de kwestie opgaat, dat hij teveel als bekend veronderstelt: hij begint midden in het verhaal zonder de achtergrond uit te leggen. Sommigen denken te kunnen volstaan met toezending van een enorm pakket met gedetailleerde documenten aan een hele reeks van mensen, zonder dat ze duidelijk maken wat de kern is van de zaak en wat precies van de geadresseerde wordt verwacht.

4. Niet de juiste gelegenheid afwachten

Niet elke misstand moet meteen bij ontdekking worden gemeld. Soms is het verstandiger te wachten. Het komt voor dat een melding geen effect heeft door de keuze voor het verkeerde moment, het verkeerde adres of de verkeerde omstandigheden.

Een misstand bij een bedrijf of omkoping van een ambtenaar maakt misschien weinig indruk, als datzelfde bedrijf of de organisatie van die ambtenaar juist op dat moment met iets positiefs in het nieuws is. En als de positieve berichtgeving net is weggeëbd, is de nieuwswaarde wellicht veel geringer, omdat het 'oud nieuws' is. Op zo'n moment kun je met publiciteit beter nog even wachten.

5. Onvoldoende steun opbouwen

Voor een effectieve melding is steun essentieel. Absolute bewijzen zijn op zichzelf onvoldoende om met succes te melden. Het is dus zaak uit te vinden waar collega's en anderen staan. Vervolgens is het zaak de sympathisanten te mobiliseren, onverschilligen over te halen en de tegenstand van anderen geringer te maken.

Een werkneemster verhuist van de grote stad naar het platteland. Op een bepaald moment spreekt ze haar nieuwe werkgever aan op een door hem gepleegd strafbaar feit. De werkgever maakt haar duidelijk dat ze haar mond moet houden, de werkneemster doet aangifte bij de politie. Als die niets onderneemt doet ze haar verhaal bij een verslaggever van de plaatselijke krant. Als ze opnieuw haar werkgever aanspreekt op het gepleegde strafbare feit, worden na enige tijd klachten van klanten over haar gepubliceerd in die plaatselijke krant. Met sommigen van hen heeft ze zelfs nooit contact gehad. Ze wordt verwezen naar een psychiater en uiteindelijk ontslagen. Nadien wordt haar duidelijk dat haar werkgever een heel netwerk van goede contacten in de plaats heeft. Zo is hij een huisvriend van de burgemeester en familie van de hoofdredacteur van de plaatselijke krant.

6. Het initiatief kwijt raken aan de werkgever

Er zijn tal van formele kanalen om misstanden te melden. Veel kanalen zijn echter niet geschikt. Wie ze als werknemer benut, speelt zijn werkgever in de kaart. De werkgever heeft meer geld, meer tijd en als organisatie geen geweten. De werkgever kan de zaak traineren, weigeren informatie te verschaffen, dure advocaten huren en aanvallen organiseren. De werknemer die vasthoudt aan die formele kanalen delft vaak zowel emotioneel als financieel het onderspit. Ook als de werknemer een kleine overwinning behaalt, is de werkgever nog lang niet uit het veld geslagen. Hij heeft doorgaans veel meer pijlen op zijn boog. De werknemer is vaak te goed van vertrouwen over een voor hem gunstige afloop.

7. Niet weten wanneer je moet stoppen

Soms gaan werknemers die in hun recht staan letterlijk door tot ze erbij neervallen, ook al is intussen duidelijk dat hun kans om gelijk te krijgen miniem is geworden. Uiteindelijk kan uiteraard alleen de betreffende werknemer beoordelen of het de moeite waard is. Toch kan het geen kwaad je af en toe af te vragen of het nog de moeite loont om door te gaan, bijvoorbeeld door met een betrouwbare ingewijde de pro's en contra's op een rij te zetten.

Een docente heeft op verschillende scholen les gegeven. Met succes. Haar partner krijgt een andere baan en ze verhuizen naar een andere stad. De docente experimenteert met een eigen aanpak en is erg populair bij haar leerlingen en andere docenten. De directeur van haar nieuwe school is minder blij. Hij voelt zich bedreigd door haar succes en populariteit. Met hulp van een reeks negatieve beoordelingen en valse beschuldigingen weet hij aan te sturen op een ontbinding van haar arbeidsovereenkomst. De docente vecht terug. Na vijf jaar krijgt ze via de formele kanalen een forse schadevergoeding. Maar de directeur blijft op zijn plek. De docente kan dit niet verkroppen. Ze blijft brieven sturen aan instanties en politici. Ze geeft nooit meer les en neemt ook geen andere baan.

(terug)

6.6.2 Tips voor klokkenluiders

Wie een misstand constateert en wil wegnemen, doet er verstandig aan dit planmatig en met overleg aan te pakken.

1. Stel vast wat het probleem is

Het probleem is de aanwezigheid van een misstand, terwijl niemand er iets aan lijkt te willen of kunnen doen. De centrale vraag is dus hoe de misstand kan worden weggenomen. Daarbij moet de werknemer zich nog persoonlijk afvragen of hij wel degene wil zijn die dit in gang zet.

Het kan om allerlei misstanden gaan, zoals een

Een farmaceutisch bedrijf verkoopt al jaren een bepaald medicijn. Wetenschappers binnen het bedrijf ontdekken op een gegeven moment dat het een riskante bijwerking heeft voor sommige gebruikers. De bijsluiter wordt echter niet aangepast.
Wat is het probleem?
- Er is een gevaar voor de gezondheid van een groep gebruikers.
- Er is een overtreding van de regels voor bijsluiters.
- Bewust wordt een risico verzwegen.
- Het management is bang voor een teruglopende verkoop van het medicijn als de nieuwe gegevens bekend worden en mogelijke schadeclaims.

Dit zijn dus verschillende problemen tegelijk. Wie iets wil bereiken, doet er verstandig aan te bepalen welk probleem als eerste moet worden aangepakt.

2. Stel vast wat de oorzaak is

Soms helpt het als je begrijpt wat de oorzaak van het probleem is. Gaat het om het belang van een groep of persoon, om geld, macht of status? Gaat het om winstbejag of de bescherming van de reputatie van een persoon of de onderneming? Of gaat het om vriendjespolitiek? Ligt de bron van het probleem binnen of buiten de organisatie? Zit het probleem bij personen in de organisatie of bij de organisatie als geheel?

3. Hou rekening met mogelijke reacties

Je zou verwachten dat degene die een misstand meldt met gejuich wordt ontvangen: door de melding kan het probleem immers worden aangepakt. Helaas werkt dat in veel gevallen niet zo: niet het probleem, maar de boodschapper wordt aangepakt (zie paragraaf 6.1).

Wie na een melding onder vuur komt te liggen doet er verstandig aan na te gaan (1) waarom dat is en (2) wat eraan te doen valt.

Vaak vindt degene die de aanvallen lanceert, dat die volkomen legitiem zijn: de betreffende werknemer bemoeit zich met zaken waarvoor hij niet verantwoordelijk is, hij is niet loyaal, hij is een zeurpiet, hij is overbezorgd, hij kent niet alle aspecten, enzovoort. Ook als de aanvaller eigenlijk wel weet dat hij fout zit, zal hij dat nooit erkennen.

Bepaalde signalen kunnen erop wijzen dat sprake is van aanvallen en dat die een reactie zijn op de melding:

Tip
Het is verstandig om het tijdstip van de melding te noteren (zie ook 6.1). Soms is het raadzaam om het feit en het tijdstip van de melding op te laten tekenen door een notaris. Die officiële akte kan later van pas komen als het tot een procedure bij de rechter komt.

4. Check je eigen analyse bij collega's of buitenstaanders.

Polsen van collega's is riskant en moet daarom omzichtig gebeuren. Zij kunnen betrokken zijn bij de misstand. Of ze kunnen degene die het onderwerp aanroert als een bedreiging zien en daarom op de een of andere manier tot de aanval overgaan. Die reactie kan al volgen op een heel onschuldige opmerking of vraag, omdat men vermoedt dat je meer weet. Soms kun je aan de eerste reactie al merken dat het om een serieuze mistand gaat. Wie een redelijk vermoeden heeft van betrokkenheid van de hoogste leiding bij de misstand, kan het polsen van mensen binnen de organisatie beter achterwege laten.

Het is altijd verstandig om een buitenstaander te raadplegen. Wat vindt die van je bewijs? Ziet hij een mogelijk onschuldige verklaring? Vindt hij de kwestie al met al niet zo ernstig? Die buitenstaander moet bij voorkeur evenwichtig, betrokken, sympathiek, eerlijk en volledig betrouwbaar zijn. Ben je niet overtuigd van het oordeel van die buitenstaander, raadpleeg er dan nog één. Als je meerdere buitenstaanders hebt geraadpleegd en geen van allen deelt je analyse, denk dan nog eens heel goed na.

5. Onderzoek je eigen motieven

Hoe minder eigen belangen een rol spelen bij het melden van een misstand, hoe groter de kans dat de misstand wordt opgeheven. De werknemer die met onzuivere bedoelingen meldt, loopt snel tegen de lamp. De melding keert zich als een boemerang tegen de melder.

6. Maak je eigen doelstellingen helder

Je doelstellingen omvatten niet alleen het beëindigen van de misstand, maar ook wat je voor jezelf wilt bereiken en tot welke offers je bereid bent. Is het genoeg dat je verantwoordelijke personen binnen het bedrijf of verantwoordelijke autoriteiten buiten het bedrijf hebt ingelicht, zodat het verder hun verantwoordelijkheid is? Ben je van plan niet te rusten voor de misstand is opgeheven? Ben je bovendien op persoonlijk eerherstel uit? Is een verontschuldiging genoeg? Wil je schadevergoeding? Welke schade moet vergoed worden? Wat is de schade, uitgedrukt in geld? Is het bovendien nodig dat de verantwoordelijken worden gestraft? Is het voldoende dat de direct verantwoordelijken terecht staan of moeten ook de indirect verantwoordelijken worden gestraft?

Het is belangrijk om prioriteiten te stellen. Is de eerste prioriteit het wegnemen van het gevaar of de berechting van de verantwoordelijken? In de praktijk komt het voor dat klokkenluiders na jaren strijd ontevreden zijn met de uitkomst, omdat hun eigenlijke, onderliggende doelen afweken van wat zij dachten dat hun doelen waren. Of ze zijn ontevreden omdat ze vooraf niet duidelijk genoeg hun doelen gesteld hebben.

Het gaat er niet alleen om de doelen zo precies mogelijk vast te leggen, maar ook de kans van slagen zo reëel mogelijk in te schatten. Het veranderen van een complete organisatie of voor de rechter slepen van hooggeplaatste personen wordt al gauw een levenswerk. Alleen al het beëindigen van een misstand kost vaak al enorm veel tijd, energie, geld, gezondheid, de baan en relaties. Meestal worden deze kosten veel te laag ingeschat.

7. Bepaal de strategie

Stel een plan van aanpak op, om op basis van de gemaakte analyse bij de gestelde doelen uit te komen. Waar begin je mee, welke hulpmiddelen staan ter beschikking, welke obstakels kom je tegen? Het gaat erom zo weinig mogelijk aan het toeval over te laten.

Soms leidt actie tot de beste analyse, tot een beter inzicht in de dynamiek van de organisatie. Het is dan zaak om de strategie op grond van die betere analyse aan te passen. Misschien moeten ook de doelen worden bijgesteld en dus het plan van aanpak.

Één van de grootste problemen is te bepalen wanneer het moment gekomen is om te stoppen als het resultaat uitblijft.

8. Documenteer je goed

Het is zeer belangrijk om je zo goed mogelijk te documenteren. Op mogelijke getuigen kun je in dit soort zaken niet vertrouwen, zelfs niet als ze sympathiek staan tegenover het aan de orde stellen van de misstand. Verzamel daarom alle belangrijke kopieën, brieven, memo's, nota's en rapporten. Voeg zo nodig aantekeningen bij over herkomst, bestemming, datum van ontvangst. Je kunt ook zelf bij wijze van bevestiging mondelinge mededelingen en afspraken op schrift stellen. Ook het maken van een foto of geluidsopname kan nuttig zijn, mits daar aanvullende informatie bij zit.

Zodra je een vermoeden hebt van een bewust verborgen misstand, is het van groot belang een zo gedetailleerd mogelijk dagboek bij te houden. De volgorde en de data van gebeurtenissen zijn zeer belangrijk.

Schriftelijke getuigenverklaringen kunnen van belang zijn als de getuigen later, onder druk, niet meer willen getuigen. Hoe groter en serieuzer de misstand, hoe meer bewijs nodig is. Als originelen worden vernietigd of gemanipuleerd, bewijzen eerder gemaakte kopieën hun waarde.

Bewaar al dit verzamelde materiaal op een veilige plaats. De eigen werkplek is dat zeker niet en de eigen woning ook niet altijd. Het is aan te bevelen een schaduwdossier te laten bewaren door iemand die je absoluut vertrouwt. Op het moment dat je een kopie van het verzamelde dossier aan een buitenstaander toevertrouwt, bijvoorbeeld een vertrouwenspersoon of opsporingsambtenaar, is het verstandig er een samenvatting bij te doen.

Let op
Het verzamelen van bewijs kan illegaal zijn of op z'n minst in strijd met de bedrijfsregels. Dat geldt nog sterker als je dat materiaal aan buitenstaanders verstrekt. Welke risico's moet je nemen? Dat hangt natuurlijk mede af van de ernst van de misstand, bijvoorbeeld het risico voor derden. De bedrijfsregels zijn bovendien niet bedoeld om ernstige misstanden in de doofpot te stoppen. Het is een kwestie van wat het zwaarst moet wegen. De privacy van derden kan in het geding zijn. Advies inwinnen is altijd verstandig. Gesprekken op band opnemen moet je eigenlijk alleen doen in het uiterste geval, bij zeer ernstige zaken, als je het verlies van je baan eigenlijk al hebt aanvaard.
Verder is van belang in welke context de misstand plaatsvindt: cultuur en gewoonten in de sector.

9. Denk na over mogelijke oplossingen

Het is niet genoeg het bestaan van een misstand aan te tonen. Soms worden zowel de boodschap als de boodschapper genegeerd. In andere gevallen worden de boodschap of de boodschapper bestreden. Als het niet mogelijk is de melding te negeren of te bestrijden, wordt soms volstaan met de mededeling dat er iets aan gedaan zal worden. Soms worden één of meer maatregelen genomen voor de vorm. Soms wordt de misstand deels of tijdelijk opgeheven.

Om te bevorderen dat de misstand geheel wordt beëindigd, kun je het beste zelf een oplossing bedenken. Een realistische, bereikbare oplossing heeft de meeste kans van slagen. Nadenken over een oplossing kan het verzamelen en presenteren van bewijsmateriaal vergemakkelijken.

10. Organiseer bijstand en steun

Voordat je werk maakt van het aanpakken van de misstand, is het verstandig je te verzekeren van de steun van familie, vrienden en zo mogelijk collega's. De melding kan voor hen ook nadelige gevolgen hebben, zowel direct als indirect. Hou er rekening mee dat geprobeerd zal worden hen tegen je op te zetten.

Zorg ook voor deskundige bijstand. Het is aan te bevelen de hulp in te roepen van een persoon of organisatie zonder enige band met het eigen bedrijf. Zorg er wel voor dat je zelf de regie blijft houden.

11. Kies de juiste kanalen

In principe moet de werknemer de door hem geconstateerde misstand eerst intern aan de orde stellen. De organisatie moet immers de mogelijkheid hebben zelf de zaak op te lossen. De melding moet gedaan worden aan een leidinggevende in de organisatie, die functioneel verantwoordelijkheid draagt voor het opheffen van de misstand.

Er kunnen echter goede redenen zijn om niet eerst intern te melden:

Indien de werknemer vervolgens extern meldt, moet hij wel proberen de schade voor de werkgever zoveel mogelijk beperkt te houden. Hoofdregel is dat de melding die tot de minste schade leidt, het meest geschikt is. Melding aan de politie en aan publiekrechtelijke instanties belast met toezicht op een bepaalde sector of een bepaald aandachtsveld is dus eerder toelaatbaar dan melding aan de media. Naarmate een misstand ernstiger is, de risico's voor bepaalde bevolkingsgroepen groter zijn of de misstand blijft bestaan ondanks herhaalde meldingen aan de politie of toezichthouders, is onthulling aan de media eerder gerechtvaardigd.

Verder moet de melding worden gedaan aan de juiste persoon. Dat wil zeggen dat diegene in staat moet worden geacht om de misstand op te (doen) heffen. Misstand en melding moeten met elkaar in evenwicht zijn (dus geen overkill) en het middel moet adequaat worden gekozen.

Let op
Er zijn allerlei officiële kanalen, waarlangs misstanden kunnen worden gemeld: de werkgever, een klachtencommissie, de Arbo-dienst, vertrouwenspersonen, de politie, de Arbeidsinspectie, de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Verzekeringskamer, de rechter, de Nederlandse Mededingingsautoriteit, noem maar op.
Het is de ervaring van veel klokkenluiders dat dergelijke officiële kanalen niet alleen niet functioneren, maar zelfs averechts kunnen werken. Eén van de oorzaken is dat ze vaak maar één aspect van de zaak aanpakken, waardoor de misstand als zodanig niet wordt opgeheven. Een andere is dat ze meestal niet beschikken over het hele feitencomplex en voor een belangrijk deel afgaan op de door het management verstrekte informatie.
Het komt ook voor dat er persoonlijke banden bestaan tussen de verantwoordelijke(n) voor de misstand en de personen die uit hoofde van hun functie geacht worden daartegen op te treden of hun leidinggevenden. Als bedoelde personen hun werk al te goed doen, kan de officiële instantie zelf onder vuur komen te liggen. Om het juiste kanaal te kiezen is het verstandig om eerst een lijst van mogelijke keuzes op te stellen en vervolgens uit te zoeken welke kans op succes bieden.

12. Pas op voor zwijggeld of een regeling met zwijgplicht

Het komt voor dat de organisatie in een vroeg stadium schadelijke publiciteit probeert af te kopen door de klokkenluider een flinke som geld aan te bieden. Met als voorwaarde dat de werknemer geen verdere stappen onderneemt. Ook komt het voor dat de organisatie een al geopenbaarde misstand zo snel mogelijk wil doen vergeten en het bekend worden van verdere bijzonderheden wil stoppen door het treffen van een financiële regeling, inclusief schadevergoeding. Ook nu weer op voorwaarde dat de werknemer verder zijn mond houdt.

Zo'n regeling kan erg aantrekkelijk zijn, omdat ze een eind maakt aan een langdurig gevecht. Anderzijds staat ze vaak op gespannen voet met de eerder gestelde doelen. Wie het aanbod aanneemt, kan daar later grote spijt van krijgen. In het eerste geval blijft de misstand intern, waardoor mogelijk gevaar voor anderen blijft bestaan. In het tweede geval is het financiële voordeel mogelijk niet voldoende compensatie voor de emotionele schade en de schade aan het gevoel van eigenwaarde. Het blijft dus van groot belang de voors en tegens scherp tegen elkaar af te wegen.

(terug)

7. Adressen

Bestellen FNV-uitgaven en telefonische informatie:

FNV Servicelijn
Postbus 8456
1005 AL Amsterdam
Telefoon: 0900 - 3.300.300 (22 cent per minuut)
Openingstijden: ma-di-do-vrij
van 12.30-16.00 uur
(ook voor adressen van FNV-bonden)
De FNV Servicelijn beschikt ook over
e-mail

FNV OR Servicelijn
Telefoon: 0800 0232524 (gratis)
De OR Servicelijn van FNV Formaat beschikt ook over
e-mail

FNV Ledenservice
Postbus 340
3440 AH Woerden

Ledenservice ABVAKABO FNV
Telefoon: 0900 2282522 (22 cent per minuut)
Openingstijden: elke werkdag
Van 8.30-17.00 uur
Ook
e-mail (voor leden).

Coöperatief Advocatenkantoor Oudenoord
Postbus 109
3440 AC Woerden

(terug)

8. Uitgaven

Myron Peretz Glazer en Penina Migdal Glazer, The Whistleblowers. Exposing Corruption in Government and Industry, Basic Books, New York 1989

E. Verhulp, Vrijheid van meningsuiting van werknemers en ambtenaren, Sdu Uitgevers 1996, ISBN 90 5409 1363

Onder geen beding. Over de grondrechten van werknemers, Stichting FNV Pers, maart 1999

E. Verhulp, Grondrechten in het arbeidsrecht, Kluwer 1999, ISBN 90 2683 532 9

Brian Martin, The Whistleblower's Handbook, How to be an effective resister, Jon Carpenter Publishing, 1999, ISBN 1 897766 52 1

Paul van Buitenen, Strijd voor Europa, Uitgeverij Ten Have, 1999, ISBN 90 5617 259

Meer respect voor grondrechten van werknemers, Stichting FNV Pers, april 2000, ISBN 90-74736-23-8

Eindrapportage Meldlijn Klokkenluiders, FNV, 25 mei 2000

A.F. Verdam, Bescherming van klokkenluiders: welke regels en procedures (dienen te) gelden?, in ArbeidsRecht, Maandblad voor de praktijk, 2001/1, Kluwer

(terug)

Bijlage: Tekst belangrijkste bepalingen

Artikel 10 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. (...)

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij onderworpen worden aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden of sancties die bij wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden of strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen (...).

(terug)

Artikel 7 Grondwet

1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

2. (...)

3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand vooraf gaande verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet (...)

(terug)

Artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek

De werkgever en de werknemer zijn verplicht zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen.

(terug)

Artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek

1. (...)

2, Dringende redenen [voor ontslag op staande voet van de werknemer door de werkgever] zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden: (...)

i. wanneer hij bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van de werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt (...)

(terug)

Artikel 273 Wetboek van Strafrecht

1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk

1°. aangaande een onderneming van handel, nijverheid of dienstverlening bij welke hij werkzaam is of is geweest, bijzonderheden waarvan hem geheimhouding is opgelegd, bekend gemaakt of

2°. (...)

2, Niet strafbaar is hij die te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het algemeen belang de bekendmaking vereiste.

3, Geen vervolging heeft plaats dan op klacht van het bestuur van de onderneming.

(terug)

Artikel 20 Wet op de ondernemingsraden

1. De leden van de ondernemingsraad (...) zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken- en bedrijfsgeheimen die zij in hun hoedanigheid vernemen, alsmede van alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de ondernemer dan wel de ondernemingsraad (...) hun geheimhouding heeft opgelegd of waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijk karakter moet begrijpen. Het voornemen om geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk vóór de behandeling van de betrokken aangelegenheid meegedeeld. Degene die de geheimhouding oplegt, deelt daarbij tevens mee, welke schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding vallen en hoe lang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten aanzien van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.(...)

(terug)

Colofon en disclaimer
Deze tekst verscheen augustus 2001 als brochure, uitgegeven door de FNV.
Tekst: Rik van Steenbergen
De informatie in deze brochure is met de grootst mogelijke zorg samengesteld. De geldende wet- en regelgeving wordt zo nauwkeurig mogelijk beschreven. De precieze betekenis van de geldende regels is echter steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hoe rechters de regels hanteren, is in hoge mate onvoorspelbaar. Gebruik van deze uitgave is daarom geheel voor risico van de gebruiker.
(terug)