AFHANDELING MELDINGEN VAN
ARBEIDSONGEVALLEN
Vastgesteld 10 mei 2001
1. HET WERKTERREIN VAN DE ARBEIDSINSPECTIE MET BETREKKING
TOT ARBEIDSONGEVALLEN
1.1
Algemeen uitgangspunt
Alle meldingen die betrekking hebben op ongevallen waarbij sprake is van
persoonlijk letsel en die direct of indirect gerelateerd zijn aan arbeid, of
aan omstandigheden waarop wetgeving van kracht is die behoort tot het toezichtsgebied
van de Arbeidsinspectie (AI), worden in behandeling genomen. Dit ongeacht de
status van de melder of de eventueel getroffenen (wel of geen werknemer), en
ongeacht het tijdstip van de melding dan wel het bekend worden van het arbeidsongeval
bij de AI.
1.2
Ongevallen niet-werknemers
Ongevallen van niet-werknemers, waarbij een rechtstreeks verband bestaat
met het verrichten van arbeid, worden in behandeling genomen, met uitzondering
van ongevallen met de werkgever zelf of van een zelfstandige ondernemer zonder
personeel. Ook ongevallen met leden van maatschappen en vennootschappen onder
firma worden in behandeling genomen.
In dit verband is de reikwijdte van artikel 10 Arbowet 1998 ("Voorkomen
van gevaar voor derden") van belang. Algemene criteria hiervoor zijn echter
niet te geven. Indien vragen rijzen over de toepassing van artikel 10 kan contact
worden opgenomen met de afdeling Arbo- Handhaving (Arbo-H) van het Centraal
Kantoor (CK). Deze afdeling zal, zo nodig in overleg met de afdeling Juridische
Aangelegenheden (JA) van de directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden
(WBJA), de vragen beantwoorden en zo in de loop van de tijd een algemene lijn
en jurisprudentie ontwikkelen.
De laatste jaren is de AI enige malen geconfronteerd geweest met verzoeken van Officieren van Justitie tot het verrichten van onderzoek van ongevallen, waarbij een ruime interpretatie werd gegeven van artikel 10 van de Arbowet. Dit heeft o.a. geleid tot het onderzoek van een ongeval door een treinreiziger bij het instappen in een trein en van een spelend kind in een supermarkt.
1.3
Ongevallen in het buitenland
De Arbowet kent een territoriale werking en de uitoefening van de bevoegdheden
van de AI is beperkt tot het Nederlands grondgebied. Meldingen van ongevallen
bij in het buitenland opererende Nederlandse werkgevers kunnen dan ook niet
voor onderzoek in behandeling worden genomen. Wel kan een dergelijke melding
worden doorgegeven aan de afdeling Arbo-H, die de betreffende buitenlandse zusterorganisatie
kan verzoeken een onderzoek in te stellen.
1.4
Verkeersongevallen
Ongevallen tijdens het woon-werkverkeer zijn uitgesloten in artikel 9 en
behoren derhalve niet tot het toezichtgebied van de AI.
Verkeersongevallen op de openbare weg, waarbij een of meer werknemers tijdens
de uitoefening van hun beroep zijn betrokken (bijvoorbeeld chauffeurs en vertegenwoordigers),
vallen in principe onder de meldingsplicht. In de praktijk worden dergelijke
ongevallen echter op basis van de Wegenverkeerswet door de politie onderzocht.
Acties om met de politie tot een formele afstemmingsregeling te komen, waarin
de wederzijdse bevoegdheden en werkafspraken formeel worden vastgelegd, dan
wel afspraken over informatie-uitwisseling zijn in gang gezet.
Indien verkeersongevallen toch worden gemeld, bijvoorbeeld door een slachtoffer,
dan worden deze uiteraard wel in behandeling genomen. Samenwerking met de politie
is daarbij dringend gewenst.
Meldingen van ongevallen die in dit kader door de AI altijd in behandeling worden
genomen betreffen:
verkeersongevallen
op (afgesloten) bedrijfsterreinen;
ongevallen
bij laden/lossen en
ongevallen
bij of als gevolg van wegwerkzaamheden.
Bij het onderzoek van dergelijke ongevallen kan samenwerking met de politie
en/of RVI* wenselijk zijn.
1.5
Stoomketels en drukvaten
Bij ongevallen die betrekking hebben op insluitsystemen, zoals stoomketels en
drukvaten, kan ook de handhaving van de Stoomwet aan de orde zijn. Bij dergelijke
ongevallen moet de toezichthouder Stoomwezen BV, gelokaliseerd bij de afdeling
Arbo-H van het CK, direct worden geïnformeerd.
1.6
Sport- en spelongevallen op scholen
Ernstige ongevallen overkomen aan leerlingen tijdens schooltijd zijn meldingsplichtig.
Ernstige ongevallen met machines of bij scheikundeproeven, moeten worden gemeld
en onderzocht.
Sport- en spelongevallen tijdens de gymles, de zwemles of in het speelkwartier
hebben vrijwel zonder uitzondering te maken met onvoldoende toezicht. Dit laat
zich in de meeste gevallen moeilijk vaststellen. Onderzocht zal worden of dergelijke
ongevallen in het Arbobesluit kunnen worden uitgezonderd van de meldingsplicht.
Tot die tijd zullen meldingen van deze aard moeten worden onderzocht door de
Arbeidsinspectie. Bij sport- en spelongevallen waarbij onvoldoende toezicht
moeilijk is vast te stellen kan voorlopig voor advies contact worden opgenomen
met de Onderwijsinspectie (telefoon: 030-6669821).
1.7
Samenwerking met andere inspectiediensten
Ongevallen kunnen plaatsvinden op toezichtgebieden waarop ook andere inspectiediensten
werkzaam zijn. Het betreft hier kermisattracties en pretparken, de luchtvaart,
de scheepvaart, spoorwegen en spoorvervoer, wegvervoer en aardolie- en gaswinning.
Met de betrokken diensten zijn werkafspraken gemaakt, zie hiertoe bijlage 1.
2.
INTAKE
2.1 Algemeen
Alle meldingen van ongevallen, ook die welke conform hoofdstuk 3 niet tot
onderzoek leiden, die tot het toezichtgebied van de AI behoren, worden in behandeling
genomen en vervolgens in GISAI geregistreerd. Registratie is bijvoorbeeld noodzakelijk
in verband met eventuele claims van slachtoffers, of indien pas later blijkt
dat er toch sprake is van een meldingsplichtig ongeval.
De intaker maakt en bewaart aantekeningen van de resultaten van de communicatie
met de melder (in GISAI op tabblad "Opmerkingen"). Indien de melding
plaatsvond door een derde (bijvoorbeeld door de politie), is het aangewezen
voor nadere informatie contact op te nemen met de werkgever en/of het bedrijf.
2.2
Dodelijke ongevallen
De geregistreerde gegevens van meldingen van dodelijke ongevallen moeten
direct door middel van een fax worden doorgegeven aan de afdeling Arbo-H, met
een verwijzing naar het zaaknummer in GISAI.
De afdeling Arbo-H stelt vervolgens onverwijld:
de afdeling
Persvoorlichting (PEV) van de directie Voorlichting, Bibliotheek en Documentatie,
de Algemeen
Directeur van de AI en
de afdeling
Monitoring en Beleidsinformatie (MBI) op de hoogte.
Bij meldingen van bepaalde dodelijke ongevallen (bijvoorbeeld bij veel publiciteit)
buiten kantooruren kan de hoofdinspecteur overwegen PEV in te schakelen via
het pikettelefoonnummer: 070-3336520.
NB 1: Volgens de internationaal gebruikelijke definitie van arbeidsongevallen dient bij overlijden van het slachtoffer binnen een jaar na en ten gevolge van een ongeval, het ongeval als dodelijk te worden beschouwd. Dergelijke ongevallen moeten, voor zover deze bekend worden, alsnog conform bovenstaande procedure worden doorgegeven. Indien de zaak in GISAI reeds is afgesloten, moet in de zaak onder "Opmerkingen" worden vermeld dat het slachtoffer is overleden en op welke datum dat is gebeurd.
NB 2: Als tijdens onderzoek blijkt dat er sprake is van een natuurlijke dood van het slachtoffer of wanneer het gaat om zelfdoding, dan dient dit niet als ongeval te worden behandeld en dus ook niet in GISAI als zodanig te worden geregistreerd. Het HCA dient dergelijke zaken uit GISAI te verwijderen.
3.
MELDINGSPLICHT EN ONDERZOEK
3.1 Meldingsplicht
Een ongeval wordt altijd in onderzoek genomen indien er sprake is van een
wettelijk verplichte melding (ook indien het ongeval niet onverwijld is gemeld).
Dit is het geval bij:
dodelijke afloop;
ernstig lichamelijk
en/of geestelijk letsel dat binnen 24 uur tot opname in een ziekenhuis voor
behandeling of observatie (geen poliklinische behandeling) heeft geleid;
(vermoeden
van) blijvend lichamelijk letsel;
(vermoeden
van) blijvend geestelijk letsel.
| - | complex ongeval, waarbij de oorzaak/gevolg relatie onduidelijk is; | |
| - | passend in de handhavingsstrategie ten aanzien van het betrokken bedrijf en/of branche; | |
| - | publicitair, politiek of maatschappelijk gevoelig;. |
| - | bijna ernstige ongevallen; | |
| - | meerdere, op zich zelf niet meldingsplichtige, ongevallen binnen hetzelfde bedrijf. |
3.2
Werkwijze bij melding van niet-meldingsplichtige ongevallen
Ingeval van melding van niet meldingsplichtige ongevallen kunnen zich twee
situaties voordoen:
1. De werkgever wordt direct tijdens of naar aanleiding van de telefonische
melding op de hoogte gebracht van de beslissing over het niet onderzoeken van
het gemelde ongeval.
2. In geval de beslissing om het ongeval niet te onderzoeken wordt genomen na
bezoek ter plaatse, verantwoordt de inspecteur zijn/haar beslissing door in
GISAI onder het tabblad "Opmerkingen" de gebleken feiten of gegevens,
op grond waarvan de beslissing is genomen, te vermelden.
In beide gevallen wordt
het besluit "geen onderzoek door de AI", schriftelijk en onderbouwd
aan de werkgever bevestigd (modelbrief met, zo nodig, tekst op maat), met een
afschrift aan de getroffene(n). De folder "Ernstige arbeidsongevallen,
wat doet de Arbeidsinspectie" wordt standaard bijgevoegd.
Als na een bezoek ter plaatse wordt besloten geen onderzoek in te stellen kan,
indien wel tekortkomingen zijn geconstateerd, worden besloten tot het uitvoeren
van een handhavingstraject. De afhandeling daarvan vindt plaats onder de 'zaak'
van het ongeval. Zie ook de procesbeschrijving ongevallen.
3.3
Bijzondere omstandigheden met betrekking tot de meldingsplicht
De definitie van een meldingsplichtig ongeval leidt regelmatig tot onduidelijkheden
ten aanzien van de meldingsplicht en de wijze waarop daarmee moet worden omgegaan
door de AI. Het komt regelmatig voor dat bij een bezoek ter plaatse van het
ongeval blijkt, dat er op dat moment geen sprake is van een meldingsplichtig
ongeval: geen ziekenhuisopname binnen 24 uur en ook blijvend letsel lijkt niet
aan de orde. Echter na enige tijd - tot een maximum van twee jaar - openbaart
zich blijvend lichamelijk of geestelijk letsel als gevolg van het ongeval.
Op dat moment geldt de meldingsplicht van de werkgever onverkort. Indien na
enige tijd ziekenhuisopname van het slachtoffer noodzakelijk is, geldt de meldingsplicht
niet, deze is immers gebonden aan de 24-uurs limiet. Voor wat betreft de handhaving
van de meldingsplicht wordt verwezen naar paragraaf 5.
Onder omstandigheden kunnen
littekens als "blijvend letsel" worden beschouwd. Dit is het geval
indien betrokkene hiervan blijvend (lichamelijk en/of psychisch) last ondervindt.
Vlak na een ongeval is dat moeilijk te beoordelen. Littekens openbaren zich
per definitie niet direct na een arbeidsongeval. Ergo, dit soort ongevallen
wordt niet onderzocht omdat er niet wordt voldaan aan de definitie van artikel
9.
Wel kunnen na verloop van tijd littekens ontstaan. Wanneer een slachtoffer zich
alsnog tot de AI richt omdat hij of zij deze ervaart als blijvend letsel (lichamelijk
dan wel geestelijk) dan zal dit moeten worden onderbouwd door een arts of een
psychiater. Is dit het geval dan zal de AI het ongeval alsnog onderzoeken.
| o | bouwwerken waarvan de geraamde duur meer dan 30 werkdagen beslaat, en op die bouwplaats meer dan 20 werknemers tegelijkertijd werkzaam (zullen) zijn of | |
| o | bij bouwwerken waarbij meer dan 500 mandagen zullen zijn gemoeid. Zie hiervoor ook "Uitgangspunten en stappen in het ongevalsonderzoek" (paragraaf 7.2) in de map van de opleiding 'Bouwplaatsen Arbobesluit' van oktober 1998. |
4.2
Gebruik verklaringen van de politie
Indien er bij een arbeidsongeval sprake is van een vermoedelijke overtreding
van een strafbaar feit, is de politie bevoegd een opsporingsonderzoek in te
stellen, eventueel in samenwerking met de Arbeidsinspectie. De politie heeft
geen bevoegdheden wanneer er sprake is van beboetbare feiten in het kader van
de Arbowet 1998. De politie dient zich dan ook te onthouden van het stellen
van gerichte vragen aan getuigen of belanghebbenden met betrekking tot beboetbare
feiten. De inspecteur kan gebruik maken van een "de auditu verklaring"
van de politie voor feitenmateriaal en moet vervolgens ten aanzien van de arbo0-elementen
de getuigen zelf horen. De inspecteur kan de politie verzoeken een rapport van
bevindingen te maken of zelf de betrokken politieambtenaar als getuige horen.
Verklaringen door de politie opgenomen in het kader van een opsporingsonderzoek,
bijvoorbeeld dood door schuld, kunnen als aanvullend bewijsmateriaal worden
gebruikt of kunnen dienen als voorbereiding voor het verhoor door de inspecteur,
voorzover relevant voor een arbo-onderzoek. Aangezien dergelijke verklaringen
in het kader van opsporing zijn afgelegd, mag de politie deze alleen met toestemming
van de OvJ beschikbaar stellen aan de inspecteur.
Een proces-verbaal, een rapport van bevindingen of een de auditu verklaring
kunnen als (ondersteunend) bewijsmateriaal bij het ongevallenboeterapport worden
gevoegd, als aan het vorenstaande is voldaan. De bestuursrechter kan deze documenten
als bewijsmateriaal toelaten.
Mutatierapporten van de politie kunnen niet bij een ongevallenboeterapport worden
gevoegd in verband met het informele karakter ervan. Mocht de inhoud van een
mutatierapport van belang zijn voor het boeterapport, dan zal aan de betrokken
politieambtenaar moeten worden verzocht of hij zijn bevindingen in een relaas
van bevindingen wil vastleggen of hij zal door de inspecteur als getuige moeten
worden gehoord. Overigens valt een mutatierapport onder de Wet bijzondere politieregisters
en mag dientengevolge niet zomaar worden verstrekt aan de Arbeidsinspectie.
5.
HANDHAVINGSBELEID
Bij het handhavingsbeleid met betrekking tot ongevalsonderzoek is het van
belang of er sprake is van bestuursrechtelijke dan wel strafrechtelijke afhandeling.
De afhandeling van ongevallen door de AI vindt grotendeels bestuursrechtelijk
plaats. Strafrechtelijke afhandeling is slechts aan de orde indien er sprake
is van:
een causaal
verband tussen het ongeval en een overtreding van een strafrechtelijke bepaling;
toepassing
van artikel 32 Arbowet 1998 (misdrijf) op initiatief van de AI wanneer er duidelijk
sprake is van opzet;1
indien het
Openbaar Ministerie (OM) gebruik maakt van zijn mogelijkheid om de AI opdracht
te geven tot een opsporingsonderzoek naar de mogelijke overtreding van commune
bepalingen (o.a. letsel door schuld).
De volgende punten zijn
voor een goed verloop van de handhaving van belang.
Ten aanzien
van overtredingen die tijdens het ongevalsonderzoek worden geconstateerd, stuurt
de AI zo spoedig mogelijk een standaard brief (maatregelenbrief). Daarin wordt
vermeld dat overtredingen zijn geconstateerd en dat mogelijk een boeterapport
dan wel een PV zal worden opgemaakt, en dat los daarvan de beboetbare of strafbare
feiten zo spoedig mogelijk moeten worden opgeheven.
Voor geconstateerde
beboetbare of strafbare feiten die niet in causaal verband staan met het ongeval,
of bij ongevallen die niet hebben geleid tot ernstig letsel, vindt separaat
handhaving plaats volgens het handhavingsbeleid.
In geval van
beboetbare of strafbare feiten, die een oorzakelijk verband hebben met het ontstaan
en/of de gevolgen van een ongeval, en waarbij sprake is van ernstig letsel,
wordt altijd een ongevallenboeterapport c.q. een PV van overtreding (of misdrijf)
tegen de werkgever opgemaakt. N.B.: dit geldt uitsluitend voor meldingsplichtige
ongevallen.
Het oordeel
van de inspecteur over de mate van verwijtbaarheid of verzachtende omstandigheden
ten aanzien van het vorige punt speelt geen rol bij de beslissing over het al
dan niet opmaken van een boeterapport of een PV. Eventuele verzachtende omstandigheden
moeten wel in het ongevallenboeterapport of het PV worden vermeld. De beoordeling
daarvan wordt echter overgelaten aan de boeteoplegger c.q. het OM of de rechter.
In geval van
causale overtredingen die begaan zijn door het slachtoffer zelf, wordt geen
ongevallenboeterapport of proces-verbaal tegen hem of haar opgemaakt. Het slachtoffer
draagt toch al de consequenties van zijn of haar handelen en het is niet aan
de Arbeidsinspectie om de onoplettendheid, onervarenheid of bewust gevaarlijke
handelingen ook nog eens te bestraffen.
Het is wel van belang voor de berekening van de boetehoogte om in het ongevallenboeterapport
voor de werkgever aan te geven of er sprake is van mede schuld van het slachtoffer,
of het gaat om één beboetbaar feit, en of het gaat om het eerste
ongeval sinds 1 november 1999 in het bedrijf van de betrokken werkgever.
Terzake van
het niet, of niet onverwijld (= zonder uitstel) melden van meldingsplichtige
ongevallen (artikel 9 Arbowet) wordt altijd een boeterapport opgemaakt.
Uitzondering:
Indien pas na enige tijd blijvend letsel optreedt, en dit wordt niet door de
werkgever gemeld, dan wordt daarvoor geen boeterapport opgemaakt, of enig ander
instrument ingezet. Reden: De onverwijlde melding is bedoeld om de AI in staat
te stellen om de situatie waaronder een ongeval heeft plaatsgevonden te onderzoeken.
Dit is bij zich later openbarend letsel niet aan de orde.
In verband
met het bijzondere karakter van PV's-misdrijf is met het OM afgesproken dat
alle opgemaakte PV's misdrijf voorlopig centraal zullen worden getoetst op inhoud
en haalbaarheid. In verband hiermee zullen deze tot nader order gezonden moeten
worden naar de afdeling Arbo-Handhaving. Deze afdeling zorgt voor verdere doorgeleiding.
PV's misdrijf zullen via de coördinerend OvJ met toelichting aan betrokken
(plaatselijke) OvJ worden gezonden2.
De bij het
onderzoek geconstateerde overtredingen verjaren twee jaar na de datum van een
ongeval. Bij verjaring wordt een ongevalsrapport opgemaakt waarin deze (verjaarde)
overtredingen worden vermeld. Een boeterapport in verband met het niet melden
van een ernstig ongeval is echter nog steeds mogelijk indien deze overtreding
na de verjaringstermijn aan het licht komt. De overtreding kan in dat geval
beschouwd worden als een "voortdurend delict".
6.
ADMINISTRATIEVE AFHANDELING
6.1 Registratie "type ongeval" (BOBS) en "oorzaken"
(SOAT)
BOBS- en SOAT-gegevens worden door de betreffende inspecteur in GISAI geregistreerd,
echter alleen indien ongevalsonderzoek is uitgevoerd. De registratie van BOBS-
en SOAT-gegevens in GISAI is verplicht.
| werkomgeving | (2-cijferig niveau = 123 items) |
| oorzaak / letsel | (1-cijferig niveau = 11 items) |
| tool bij oorzaak letsel | (2-cijferig niveau = 93 items) |
Invulling
van SOAT-gegevens geschiedt op basis van het gestelde in de cursus
ongevalsonderzoek. Correcte invulling van BOBS- en SOAT-gegevens is van groot
belang
voor het kunnen analyseren van ongevallen.
6.2
Rapportage
Er zijn twee vormen van rapportage te onderscheiden:
Bij meldingsplichtige
ongevallen waarbij causale overtreding(en) zijn vastgesteld, wordt een ongevallenboeterapport
of een PV (van overtreding of misdrijf) opgesteld.
Bij meldingsplichtige
ongevallen waarbij geen causale overtredingen zijn, wordt een ongevalsrapport
opgesteld.
Daarnaast vindt uiteraard
afhandeling van de eventuele handhavingstrajecten plaats via de standaard modelcorrespondentie.
Alle feiten, waarop de conclusies zijn gegrond, worden opgenomen in de rapportage
en/of in de (in de bijlage op te nemen) verklaringen.
Bij de rapportage worden zoveel mogelijk relevante documenten, tekeningen en
foto's als bijlage toegevoegd. Bij een PV kan het opnemen van een berekening
van het 'economisch voordeel' in relatie met de geconstateerde overtreding,
gebaseerd op de kostprijs van investeringen, relevant zijn.
Zo nodig wordt ook een verklaring van vakinhoudelijke termen toegevoegd.
Het kan van belang zijn in de rapportage, met schriftelijke toestemming van het slachtoffer, een medische verklaring op te nemen. Dit speelt bijvoorbeeld wanneer op een andere wijze niet duidelijk kan worden aangegeven wat de gevolgen (met name op de langere termijn) van het ongeval voor het slachtoffer zijn. Indien gewenst kan het slachtoffer reeds bij voorbaat (bijvoorbeeld bij het opnemen van de getuigenverklaring) om schriftelijke toestemming voor het opvragen van medische gegevens worden gevraagd, door ondertekening van het betreffende formulier.
6.3
Formele afhandeling
Wordt een onderzoek afgesloten met een ongevallenboeterapport dan moet dit
worden gezonden aan de boeteoplegger. De boetebeschikking die hier op volgt
moet binnen 16 weken na melding van het ongeval aan de werkgever zijn toegezonden.
Aangezien 4 weken nodig zijn ten behoeve van het opmaken van de kennisgeving
aan de werkgever, de responsetermijn en het opmaken van de beschikking, dient
een ongevallenboeterapport binnen 12 weken aan de boeteoplegger te worden gezonden.
Zie ook de procesbeschrijving ongevallen.
Wordt een onderzoek afgesloten
met een PV, dan wordt dit tot nader order aan de afdeling Arbo-Handhaving toegezonden.
Na intrekking van deze order worden PV's gezonden aan het OM. Bij de keuze naar
welk arrondissement, dient dan gekeken te worden naar de woonplaats van het
slachtoffer. Woont het slachtoffer in het arrondissement waar ook het bedrijf
statutair gevestigd is, dan wordt daar het PV naar toe gestuurd, in andere gevallen
naar het arrondissement waar het ongeval zich heeft voorgedaan. Het kan ook
zo zijn dat arrondissementen onderling hebben afgesproken welke in een bepaalde
regio de arbo-zaken behandeld. In voorkomende gevallen worden PV's naar het
betreffende arrondissement gezonden.
Bij een PV wordt de module 'slachtofferzorg' zo volledig mogelijk ingevuld.
Om zoveel mogelijk gegevens te kunnen verzamelen dient voor het moment van verzenden
van het PV contact opgenomen te worden met mogelijke informanten (slachtoffer,
behandelend arts, etc.).
Zo nodig wordt het slachtoffer en/of familie daarbij nogmaals gewezen op de
mogelijkheden tot schadevergoeding via strafrechtelijke en/of civielrechtelijke
weg en op hulpverlenende instanties, zoals het Bureau Slachtofferhulp.
Het ongevalsonderzoek kan in GISAI als afgehandeld worden beschouwd op het moment dat de rapportage (ongevallenboeterapport of ongevalsrapport) aan de betrokkenen is toegezonden, of wanneer het PV aan het OM is overgedragen (zie hoofdstuk 7). In GISAI kan de 'zaak' echter pas worden afgesloten op het moment dat het eventuele handhavingstraject als gevolg van het ongevalsonderzoek is afgesloten.
7.
INFORMATIEVERSTREKKING AAN BETROKKEN PARTIJEN
Het ongevallenboeterapport of het ongevalsrapport wordt, inclusief de bijlagen,
standaard toegezonden aan de direct betrokken partijen: de verantwoordelijke
werkgever, de eventuele werknemersvertegenwoordiging en de getroffene(n).
Indien belanghebbende derden verzoeken om toezending van rapporten dan worden
deze via een (model-)brief naar één van de door de AI geïnformeerde
partijen verwezen. Indien een advocaat van belanghebbende aangeeft geen medewerking
van zijn cliënt in deze te krijgen, dan wordt het rapport, inclusief alle
bijlagen, aan hem verstrekt. Gaat het om andere belanghebbende derden (verzekeringsmaatschappijen,
uitlenende werkgever) dan zal worden bericht dat deze een WOB-verzoek moeten
indienen.
Niet belanghebbende derden (bonden, verenigingen, e.d.) dienen altijd een WOB-verzoek
in te dienen. De behandeling hiervan ligt in handen van de afdeling JA. Deze
afdeling zorgt voor een ontvangstbevestiging aan de indiener van het verzoek
en toetst het verzoek aan de WOB.
De beslissing wordt vastgelegd in een beschikking in de zin van de Algemene
Wet Bestuursrecht. Tegen deze beslissing kan vervolgens weer bezwaar ingesteld
worden.
De betrokken partijen (verdachte(n) en slachtoffer(s) ) worden schriftelijk in kennis gesteld van de onderzoeksafhandeling en de inzending van het PV. Indien door de betrokken partijen of derden om inzage wordt verzocht in het PV, dan worden deze verwezen naar het OM, onder vermelding van het geleidelijstnummer.
8.
VERANTWOORDELIJKHEDEN
Indien geen nader onderzoek naar aanleiding van een ongevalsmelding plaatsvindt,
is het HCA verantwoordelijk voor de juiste registratie van de gegevens (HCA
is zaakeigenaar). Indien wel nader onderzoek is uitgevoerd is de betrokken inspecteur
verantwoordelijk voor de juiste registratie van gegevens (inspecteur is zaakeigenaar).
BIJLAGE 1
AFSPRAKEN MET ANDERE INSPECTIEDIENSTEN*
Kermisattracties en pretparken
Voor meldingen van ongevallen bij kermisattracties en pretparken (of andere
situaties waar gebruik wordt gemaakt van werktuigen of toestellen voor vermaak
of recreatie) gelden de volgende uitgangspunten:
Ongevallen waarbij slachtoffers zijn gevallen onder gebruikers of omstanders,
worden doorverwezen naar de Keuringsdienst van Waren, telefoon: 0800-0488 (ook
buiten kantooruren).
Ongevallen van werknemers bij de opbouw, het onderhoud, de exploitatie
en het afbreken worden door de AI onderzocht.
In bovengenoemde situaties vindt bij voorkeur afstemming en raadpleging tussen
beide diensten plaats.
Luchtvaart
Alleen ongevallen aan boord van stilstaande luchtvaartuigen worden in behandeling
genomen, voor zover het werk betreft van niet-boordpersoneel en/of werk van
boordpersoneel dat niet in verband staat met de vlucht. De overige ongevallen
(bij werkzaamheden in verband met of tijdens de vlucht) worden onderzocht door
de Nederlandse Luchtvaart Autoriteit (NLA).
Bij onderzoek door de AI moet afstemming plaatsvinden met de NLA, telefoon:
023- 5663204.
Scheepvaart
Ongevallen in verband met werkzaamheden op of in zeeschepen (ook vissersvaartuigen
en zeegaand baggermateriaal) die in Nederland in aanbouw, verbouw, reparatie,
onderhoud, reiniging of sloop zijn, en in verband met laad- en loswerkzaamheden,
moeten worden onderzocht door de AI. Ongevallen aan boord van zeeschepen en
bij het laden en lossen van zeeschepen door de bemanning zelf, zonder dat daar
een stuwadoorsbedrijf bij betrokken is, worden onderzocht door de Scheepvaartinspectie
(SI).
Mede gezien het tijdelijke karakter van de werkplek is met de SI afgesproken
dat meldingen van ongevallen die bij de AI binnenkomen altijd door de AI ter
plekke worden onderzocht. Als vervolgens blijkt dat het om een ongeval gaat
dat het werkterrein van de SI betreft, wordt deze dienst onmiddellijk op de
hoogte gesteld, telefoon: 010-2668500 of 06-57643541 (buiten kantooruren)
De AI en SI stellen elkaar op de hoogte van ongevallen in de haven waarbij buitenlandse
werknemers zijn betrokken.
Met betrekking tot in Nederlands territorium opererende binnenvaart bestaat
de werkafspraak dat meldingen betreffende varende binnenvaartschepen, in overleg
met het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) worden afgehandeld.
Spoorwegen en spoorvervoer
Ongevallen bij spoor-, metro- en tramwegbedrijven worden door de AI onderzocht.
Ook de Rijksverkeersinspectie (RVI), afdeling Spoorwegtoezicht (ST) heeft bevoegdheden
(telefoon: 070-3052777 (ook buiten kantooruren).
Alle ernstige ongevallen als gevolg van aanrijding en elektrocutie worden zonder
overleg met ST onderzocht. Dergelijke ongevallen worden tevens gemeld bij de
coördinerende AI-regio, van waaruit zo nodig verdere activiteiten worden
geïnitieerd.
Wegvervoer
De AI onderzoekt tot nader order ongevallen bij het beroepsgoederenvervoer,
het besloten busvervoer en het taxivervoer. In voorkomende gevallen betrekt
de AI de hiervoor aangemerkte RVI-inspecteur bij het ongevalsonderzoek als onderdeel
van het leertraject voor RVI-inspecteurs (zie brief AI/CK/Arbo-H/01/18341).
Na afronding van het leertraject zal de RVI dergelijke ongevallen zelfstandig
onderzoeken (zie ook paragraaf 1.4).
Aardolie- en gaswinning
Voor het onderzoek van ongevallen in verband met werkzaamheden bij de aardolie-
en gaswinning gelden de volgende werkafspraken:
ongevallen bij boringen ten behoeve van de exploratie en exploitatie
van delfstoffen betreffen het werkterrein van het Staatstoezicht op de mijnen,
telefoon: 070-3956500;
ongevallen bij alle andere boringen, zoals voor wetenschappelijk onderzoek,
de exploitatie van aardwarmte, onderzoek van bodemwater, afvalopslag of -berging,
worden behandeld door de AI. Vanwege de deskundigheid van het Staatstoezicht
op de mijnen op het gebied van boringen is het aan te raden deze dienst bij
het onderzoek te betrekken.
* Redactie: Vanaf
1 januari 2002 zijn de diverse inspectiediensten opgegaan in de Inspectie Verkeer
en Waterstaat, divisies Luchtvaart, Scheepvaart en Vervoer.
1.
Indien in een ongevalsonderzoek blijkt dat door constatering of door middel
van verhoor van verdachte en/of het afnemen van getuigenverklaringen een misdrijf
kan worden aangetoond, wordt een PV misdrijf opgemaakt.
2. Gedurende een overgangsperiode
geldt centrale toetsing ook voor processen-verbaal van overtreding.