Interne instructie Arbeidsinspectie


AFHANDELING MELDINGEN VAN
ARBEIDSONGEVALLEN

Vastgesteld 10 mei 2001

1. HET WERKTERREIN VAN DE ARBEIDSINSPECTIE MET BETREKKING TOT ARBEIDSONGEVALLEN

1.1 Algemeen uitgangspunt
Alle meldingen die betrekking hebben op ongevallen waarbij sprake is van persoonlijk letsel en die direct of indirect gerelateerd zijn aan arbeid, of aan omstandigheden waarop wetgeving van kracht is die behoort tot het toezichtsgebied van de Arbeidsinspectie (AI), worden in behandeling genomen. Dit ongeacht de status van de melder of de eventueel getroffenen (wel of geen werknemer), en ongeacht het tijdstip van de melding dan wel het bekend worden van het arbeidsongeval bij de AI.

1.2 Ongevallen niet-werknemers
Ongevallen van niet-werknemers, waarbij een rechtstreeks verband bestaat met het verrichten van arbeid, worden in behandeling genomen, met uitzondering van ongevallen met de werkgever zelf of van een zelfstandige ondernemer zonder personeel. Ook ongevallen met leden van maatschappen en vennootschappen onder firma worden in behandeling genomen.
In dit verband is de reikwijdte van artikel 10 Arbowet 1998 ("Voorkomen van gevaar voor derden") van belang. Algemene criteria hiervoor zijn echter niet te geven. Indien vragen rijzen over de toepassing van artikel 10 kan contact worden opgenomen met de afdeling Arbo- Handhaving (Arbo-H) van het Centraal Kantoor (CK). Deze afdeling zal, zo nodig in overleg met de afdeling Juridische Aangelegenheden (JA) van de directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden (WBJA), de vragen beantwoorden en zo in de loop van de tijd een algemene lijn en jurisprudentie ontwikkelen.

De laatste jaren is de AI enige malen geconfronteerd geweest met verzoeken van Officieren van Justitie tot het verrichten van onderzoek van ongevallen, waarbij een ruime interpretatie werd gegeven van artikel 10 van de Arbowet. Dit heeft o.a. geleid tot het onderzoek van een ongeval door een treinreiziger bij het instappen in een trein en van een spelend kind in een supermarkt.

1.3 Ongevallen in het buitenland
De Arbowet kent een territoriale werking en de uitoefening van de bevoegdheden van de AI is beperkt tot het Nederlands grondgebied. Meldingen van ongevallen bij in het buitenland opererende Nederlandse werkgevers kunnen dan ook niet voor onderzoek in behandeling worden genomen. Wel kan een dergelijke melding worden doorgegeven aan de afdeling Arbo-H, die de betreffende buitenlandse zusterorganisatie kan verzoeken een onderzoek in te stellen.

1.4 Verkeersongevallen
Ongevallen tijdens het woon-werkverkeer zijn uitgesloten in artikel 9 en behoren derhalve niet tot het toezichtgebied van de AI.
Verkeersongevallen op de openbare weg, waarbij een of meer werknemers tijdens de uitoefening van hun beroep zijn betrokken (bijvoorbeeld chauffeurs en vertegenwoordigers), vallen in principe onder de meldingsplicht. In de praktijk worden dergelijke ongevallen echter op basis van de Wegenverkeerswet door de politie onderzocht. Acties om met de politie tot een formele afstemmingsregeling te komen, waarin de wederzijdse bevoegdheden en werkafspraken formeel worden vastgelegd, dan wel afspraken over informatie-uitwisseling zijn in gang gezet.
Indien verkeersongevallen toch worden gemeld, bijvoorbeeld door een slachtoffer, dan worden deze uiteraard wel in behandeling genomen. Samenwerking met de politie is daarbij dringend gewenst.
Meldingen van ongevallen die in dit kader door de AI altijd in behandeling worden genomen betreffen:
verkeersongevallen op (afgesloten) bedrijfsterreinen;
ongevallen bij laden/lossen en
ongevallen bij of als gevolg van wegwerkzaamheden.
Bij het onderzoek van dergelijke ongevallen kan samenwerking met de politie en/of RVI* wenselijk zijn.

1.5 Stoomketels en drukvaten
Bij ongevallen die betrekking hebben op insluitsystemen, zoals stoomketels en drukvaten, kan ook de handhaving van de Stoomwet aan de orde zijn. Bij dergelijke ongevallen moet de toezichthouder Stoomwezen BV, gelokaliseerd bij de afdeling Arbo-H van het CK, direct worden geïnformeerd.

1.6 Sport- en spelongevallen op scholen
Ernstige ongevallen overkomen aan leerlingen tijdens schooltijd zijn meldingsplichtig. Ernstige ongevallen met machines of bij scheikundeproeven, moeten worden gemeld en onderzocht.
Sport- en spelongevallen tijdens de gymles, de zwemles of in het speelkwartier hebben vrijwel zonder uitzondering te maken met onvoldoende toezicht. Dit laat zich in de meeste gevallen moeilijk vaststellen. Onderzocht zal worden of dergelijke ongevallen in het Arbobesluit kunnen worden uitgezonderd van de meldingsplicht. Tot die tijd zullen meldingen van deze aard moeten worden onderzocht door de Arbeidsinspectie. Bij sport- en spelongevallen waarbij onvoldoende toezicht moeilijk is vast te stellen kan voorlopig voor advies contact worden opgenomen met de Onderwijsinspectie (telefoon: 030-6669821).

1.7 Samenwerking met andere inspectiediensten
Ongevallen kunnen plaatsvinden op toezichtgebieden waarop ook andere inspectiediensten werkzaam zijn. Het betreft hier kermisattracties en pretparken, de luchtvaart, de scheepvaart, spoorwegen en spoorvervoer, wegvervoer en aardolie- en gaswinning. Met de betrokken diensten zijn werkafspraken gemaakt, zie hiertoe bijlage 1.

2. INTAKE
2.1 Algemeen
Alle meldingen van ongevallen, ook die welke conform hoofdstuk 3 niet tot onderzoek leiden, die tot het toezichtgebied van de AI behoren, worden in behandeling genomen en vervolgens in GISAI geregistreerd. Registratie is bijvoorbeeld noodzakelijk in verband met eventuele claims van slachtoffers, of indien pas later blijkt dat er toch sprake is van een meldingsplichtig ongeval.
De intaker maakt en bewaart aantekeningen van de resultaten van de communicatie met de melder (in GISAI op tabblad "Opmerkingen"). Indien de melding plaatsvond door een derde (bijvoorbeeld door de politie), is het aangewezen voor nadere informatie contact op te nemen met de werkgever en/of het bedrijf.

2.2 Dodelijke ongevallen
De geregistreerde gegevens van meldingen van dodelijke ongevallen moeten direct door middel van een fax worden doorgegeven aan de afdeling Arbo-H, met een verwijzing naar het zaaknummer in GISAI.
De afdeling Arbo-H stelt vervolgens onverwijld:
de afdeling Persvoorlichting (PEV) van de directie Voorlichting, Bibliotheek en Documentatie,
de Algemeen Directeur van de AI en
de afdeling Monitoring en Beleidsinformatie (MBI) op de hoogte.
Bij meldingen van bepaalde dodelijke ongevallen (bijvoorbeeld bij veel publiciteit) buiten kantooruren kan de hoofdinspecteur overwegen PEV in te schakelen via het pikettelefoonnummer: 070-3336520.

NB 1: Volgens de internationaal gebruikelijke definitie van arbeidsongevallen dient bij overlijden van het slachtoffer binnen een jaar na en ten gevolge van een ongeval, het ongeval als dodelijk te worden beschouwd. Dergelijke ongevallen moeten, voor zover deze bekend worden, alsnog conform bovenstaande procedure worden doorgegeven. Indien de zaak in GISAI reeds is afgesloten, moet in de zaak onder "Opmerkingen" worden vermeld dat het slachtoffer is overleden en op welke datum dat is gebeurd.

NB 2: Als tijdens onderzoek blijkt dat er sprake is van een natuurlijke dood van het slachtoffer of wanneer het gaat om zelfdoding, dan dient dit niet als ongeval te worden behandeld en dus ook niet in GISAI als zodanig te worden geregistreerd. Het HCA dient dergelijke zaken uit GISAI te verwijderen.

3. MELDINGSPLICHT EN ONDERZOEK
3.1 Meldingsplicht
Een ongeval wordt altijd in onderzoek genomen indien er sprake is van een wettelijk verplichte melding (ook indien het ongeval niet onverwijld is gemeld). Dit is het geval bij:
dodelijke afloop;
ernstig lichamelijk en/of geestelijk letsel dat binnen 24 uur tot opname in een ziekenhuis voor behandeling of observatie (geen poliklinische behandeling) heeft geleid;
(vermoeden van) blijvend lichamelijk letsel;
(vermoeden van) blijvend geestelijk letsel.

Voorts kan - in overleg met de hoofdinspecteur - op basis van de volgende aspecten worden
besloten een niet-meldingsplichtig ongeval te onderzoeken:
(vermoeden van) een ernstige overtreding;
er is sprake van beleidsrelevantie, bijvoorbeeld:
  - complex ongeval, waarbij de oorzaak/gevolg relatie onduidelijk is;
  - passend in de handhavingsstrategie ten aanzien van het betrokken bedrijf en/of branche;
  - publicitair, politiek of maatschappelijk gevoelig;.
andere overwegingen:
  - bijna ernstige ongevallen;
  - meerdere, op zich zelf niet meldingsplichtige, ongevallen binnen hetzelfde bedrijf.

3.2 Werkwijze bij melding van niet-meldingsplichtige ongevallen
Ingeval van melding van niet meldingsplichtige ongevallen kunnen zich twee situaties voordoen:
1. De werkgever wordt direct tijdens of naar aanleiding van de telefonische melding op de hoogte gebracht van de beslissing over het niet onderzoeken van het gemelde ongeval.
2. In geval de beslissing om het ongeval niet te onderzoeken wordt genomen na bezoek ter plaatse, verantwoordt de inspecteur zijn/haar beslissing door in GISAI onder het tabblad "Opmerkingen" de gebleken feiten of gegevens, op grond waarvan de beslissing is genomen, te vermelden.

In beide gevallen wordt het besluit "geen onderzoek door de AI", schriftelijk en onderbouwd aan de werkgever bevestigd (modelbrief met, zo nodig, tekst op maat), met een afschrift aan de getroffene(n). De folder "Ernstige arbeidsongevallen, wat doet de Arbeidsinspectie" wordt standaard bijgevoegd.
Als na een bezoek ter plaatse wordt besloten geen onderzoek in te stellen kan, indien wel tekortkomingen zijn geconstateerd, worden besloten tot het uitvoeren van een handhavingstraject. De afhandeling daarvan vindt plaats onder de 'zaak' van het ongeval. Zie ook de procesbeschrijving ongevallen.

3.3 Bijzondere omstandigheden met betrekking tot de meldingsplicht
De definitie van een meldingsplichtig ongeval leidt regelmatig tot onduidelijkheden ten aanzien van de meldingsplicht en de wijze waarop daarmee moet worden omgegaan door de AI. Het komt regelmatig voor dat bij een bezoek ter plaatse van het ongeval blijkt, dat er op dat moment geen sprake is van een meldingsplichtig ongeval: geen ziekenhuisopname binnen 24 uur en ook blijvend letsel lijkt niet aan de orde. Echter na enige tijd - tot een maximum van twee jaar - openbaart zich blijvend lichamelijk of geestelijk letsel als gevolg van het ongeval.
Op dat moment geldt de meldingsplicht van de werkgever onverkort. Indien na enige tijd ziekenhuisopname van het slachtoffer noodzakelijk is, geldt de meldingsplicht niet, deze is immers gebonden aan de 24-uurs limiet. Voor wat betreft de handhaving van de meldingsplicht wordt verwezen naar paragraaf 5.

Onder omstandigheden kunnen littekens als "blijvend letsel" worden beschouwd. Dit is het geval indien betrokkene hiervan blijvend (lichamelijk en/of psychisch) last ondervindt. Vlak na een ongeval is dat moeilijk te beoordelen. Littekens openbaren zich per definitie niet direct na een arbeidsongeval. Ergo, dit soort ongevallen wordt niet onderzocht omdat er niet wordt voldaan aan de definitie van artikel 9.
Wel kunnen na verloop van tijd littekens ontstaan. Wanneer een slachtoffer zich alsnog tot de AI richt omdat hij of zij deze ervaart als blijvend letsel (lichamelijk dan wel geestelijk) dan zal dit moeten worden onderbouwd door een arts of een psychiater. Is dit het geval dan zal de AI het ongeval alsnog onderzoeken.

4. ONGEVALSONDERZOEK
4.1 Aandachtspunten
De volgende aandachtspunten zijn voor het onderzoek onder meer van belang:
niet onverwijld gemelde ongevallen zo goed mogelijk, mede op basis van getuigenverklaringen en/of reconstructie, onderzoeken;
betrokkenen (werkgever, getroffenen en/of familie) en ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging naar vermogen informeren over de door de AI te volgen procedure. De folder "Ernstige arbeidsongevallen, wat doet de Arbeidsinspectie" kan hierbij een goed hulpmiddel zijn;
vaststellen van de (werk-)situatie, arbeidsverhoudingen en gezagsrelaties;
vaststellen van de directe en de basisoorzaken (zie SOAT-kaart);
vaststellen van de toedracht;
zo nodig interne en/of externe deskundigen inschakelen;
bij ongevallen op bouwplaatsen vaststellen of ook de uitvoerende partij en de opdrachtgever in het onderzoek betrokken dienen te worden, in verband met de artikelen 2.26 t/m 2.39 van het Arbobesluit (het vroegere Bouwprocesbesluit).
Voorlopig alleen meenemen bij:
  o bouwwerken waarvan de geraamde duur meer dan 30 werkdagen beslaat, en op die bouwplaats meer dan 20 werknemers tegelijkertijd werkzaam (zullen) zijn of
  o bij bouwwerken waarbij meer dan 500 mandagen zullen zijn gemoeid. Zie hiervoor ook "Uitgangspunten en stappen in het ongevalsonderzoek" (paragraaf 7.2) in de map van de opleiding 'Bouwplaatsen Arbobesluit' van oktober 1998.
altijd alle getroffenen en relevante personen (getuigen, werkgever, leidinggevenden, etc.) horen;
verklaringen bij voorkeur laten ondertekenen en personen die gehoord zijn desgevraagd kopie van eigen verklaring overhandigen (of te zijner tijd toezenden);
als voldoende bewijs worden aangemerkt: eigen waarnemingen van de inspecteur of minimaal twee gelijkluidende verklaringen van getuigen (onafhankelijk en niet weerlegd);
voor aanvang van een getuigenverhoor zal melding moeten worden gemaakt van de procedure dat verklaringen aan alle betrokken partijen beschikbaar worden gesteld;
conclusies met betrekking tot de toedracht en/of de oorzaken altijd toetsen aan het wettelijk kader, om vast te kunnen stellen of er sprake is van beboetbare of strafbare feiten;
in geval van beboetbare of strafbare feiten: vaststellen welke natuurlijke en/of rechtspersonen daarvoor verantwoordelijk en/of wettelijk aansprakelijk zijn;
zodra tijdens het onderzoek blijkt dat een beboetbaar of strafbaar feit is gepleegd, de verantwoordelijke hiervan in kennis stellen. Deze vervolgens, voordat hem/haar verdere verklaringen worden afgenomen, vertellen dat hij/zij als verdachte niet hoeft te antwoorden op vragen (cautie);
zoveel mogelijk relevante documentatie en tekeningen verzamelen en foto's nemen;
zo mogelijk een berekening maken van het door de verdachte genoten 'economisch voordeel' in relatie met de geconstateerde overtreding, gebaseerd op de kostprijs van investeringen (geldt alleen voor strafrechtelijke afhandeling);
indien monsters worden meegenomen en/of goederen in beslag worden genomen, moeten bepaalde procedures in acht worden genomen. Deze zijn beschreven in de gedragscode van de AI van 20 januari 1999. De benodigde standaardformulieren zijn beschikbaar in N:\ GISAIModel\Modellen ATW PV én Arbo PV;
getroffenen en/of familie eventueel wijzen op de mogelijkheid van een civiele procedure en hen doorverwijzen naar Bureau voor Rechtshulp;
indien een ongeval strafrechtelijk wordt afgedaan, getroffenen en/of familie voor hulp verwijzen naar het dichtstbijzijnde Bureau Slachtofferhulp;
Indien PV wordt opgemaakt, wordt het slachtoffer erop gewezen dat hij zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces teneinde vergoeding van zijn schade te bewerkstelligen (Wet Terwee). Hiertoe worden door de inspecteur gegevens verzameld voor de module 'slachtofferzorg' (zie paragraaf 6.2).

4.2 Gebruik verklaringen van de politie
Indien er bij een arbeidsongeval sprake is van een vermoedelijke overtreding van een strafbaar feit, is de politie bevoegd een opsporingsonderzoek in te stellen, eventueel in samenwerking met de Arbeidsinspectie. De politie heeft geen bevoegdheden wanneer er sprake is van beboetbare feiten in het kader van de Arbowet 1998. De politie dient zich dan ook te onthouden van het stellen van gerichte vragen aan getuigen of belanghebbenden met betrekking tot beboetbare feiten. De inspecteur kan gebruik maken van een "de auditu verklaring" van de politie voor feitenmateriaal en moet vervolgens ten aanzien van de arbo0-elementen de getuigen zelf horen. De inspecteur kan de politie verzoeken een rapport van bevindingen te maken of zelf de betrokken politieambtenaar als getuige horen.
Verklaringen door de politie opgenomen in het kader van een opsporingsonderzoek, bijvoorbeeld dood door schuld, kunnen als aanvullend bewijsmateriaal worden gebruikt of kunnen dienen als voorbereiding voor het verhoor door de inspecteur, voorzover relevant voor een arbo-onderzoek. Aangezien dergelijke verklaringen in het kader van opsporing zijn afgelegd, mag de politie deze alleen met toestemming van de OvJ beschikbaar stellen aan de inspecteur.
Een proces-verbaal, een rapport van bevindingen of een de auditu verklaring kunnen als (ondersteunend) bewijsmateriaal bij het ongevallenboeterapport worden gevoegd, als aan het vorenstaande is voldaan. De bestuursrechter kan deze documenten als bewijsmateriaal toelaten.
Mutatierapporten van de politie kunnen niet bij een ongevallenboeterapport worden gevoegd in verband met het informele karakter ervan. Mocht de inhoud van een mutatierapport van belang zijn voor het boeterapport, dan zal aan de betrokken politieambtenaar moeten worden verzocht of hij zijn bevindingen in een relaas van bevindingen wil vastleggen of hij zal door de inspecteur als getuige moeten worden gehoord. Overigens valt een mutatierapport onder de Wet bijzondere politieregisters en mag dientengevolge niet zomaar worden verstrekt aan de Arbeidsinspectie.

5. HANDHAVINGSBELEID
Bij het handhavingsbeleid met betrekking tot ongevalsonderzoek is het van belang of er sprake is van bestuursrechtelijke dan wel strafrechtelijke afhandeling. De afhandeling van ongevallen door de AI vindt grotendeels bestuursrechtelijk plaats. Strafrechtelijke afhandeling is slechts aan de orde indien er sprake is van:
een causaal verband tussen het ongeval en een overtreding van een strafrechtelijke bepaling;
toepassing van artikel 32 Arbowet 1998 (misdrijf) op initiatief van de AI wanneer er duidelijk sprake is van opzet;1
indien het Openbaar Ministerie (OM) gebruik maakt van zijn mogelijkheid om de AI opdracht te geven tot een opsporingsonderzoek naar de mogelijke overtreding van commune bepalingen (o.a. letsel door schuld).

De volgende punten zijn voor een goed verloop van de handhaving van belang.
Ten aanzien van overtredingen die tijdens het ongevalsonderzoek worden geconstateerd, stuurt de AI zo spoedig mogelijk een standaard brief (maatregelenbrief). Daarin wordt vermeld dat overtredingen zijn geconstateerd en dat mogelijk een boeterapport dan wel een PV zal worden opgemaakt, en dat los daarvan de beboetbare of strafbare feiten zo spoedig mogelijk moeten worden opgeheven.
Voor geconstateerde beboetbare of strafbare feiten die niet in causaal verband staan met het ongeval, of bij ongevallen die niet hebben geleid tot ernstig letsel, vindt separaat handhaving plaats volgens het handhavingsbeleid.
In geval van beboetbare of strafbare feiten, die een oorzakelijk verband hebben met het ontstaan en/of de gevolgen van een ongeval, en waarbij sprake is van ernstig letsel, wordt altijd een ongevallenboeterapport c.q. een PV van overtreding (of misdrijf) tegen de werkgever opgemaakt. N.B.: dit geldt uitsluitend voor meldingsplichtige ongevallen.
Het oordeel van de inspecteur over de mate van verwijtbaarheid of verzachtende omstandigheden ten aanzien van het vorige punt speelt geen rol bij de beslissing over het al dan niet opmaken van een boeterapport of een PV. Eventuele verzachtende omstandigheden moeten wel in het ongevallenboeterapport of het PV worden vermeld. De beoordeling daarvan wordt echter overgelaten aan de boeteoplegger c.q. het OM of de rechter.
In geval van causale overtredingen die begaan zijn door het slachtoffer zelf, wordt geen ongevallenboeterapport of proces-verbaal tegen hem of haar opgemaakt. Het slachtoffer draagt toch al de consequenties van zijn of haar handelen en het is niet aan de Arbeidsinspectie om de onoplettendheid, onervarenheid of bewust gevaarlijke handelingen ook nog eens te bestraffen.
Het is wel van belang voor de berekening van de boetehoogte om in het ongevallenboeterapport voor de werkgever aan te geven of er sprake is van mede schuld van het slachtoffer, of het gaat om één beboetbaar feit, en of het gaat om het eerste ongeval sinds 1 november 1999 in het bedrijf van de betrokken werkgever.
Terzake van het niet, of niet onverwijld (= zonder uitstel) melden van meldingsplichtige ongevallen (artikel 9 Arbowet) wordt altijd een boeterapport opgemaakt.
Uitzondering: Indien pas na enige tijd blijvend letsel optreedt, en dit wordt niet door de werkgever gemeld, dan wordt daarvoor geen boeterapport opgemaakt, of enig ander instrument ingezet. Reden: De onverwijlde melding is bedoeld om de AI in staat te stellen om de situatie waaronder een ongeval heeft plaatsgevonden te onderzoeken. Dit is bij zich later openbarend letsel niet aan de orde.
In verband met het bijzondere karakter van PV's-misdrijf is met het OM afgesproken dat alle opgemaakte PV's misdrijf voorlopig centraal zullen worden getoetst op inhoud en haalbaarheid. In verband hiermee zullen deze tot nader order gezonden moeten worden naar de afdeling Arbo-Handhaving. Deze afdeling zorgt voor verdere doorgeleiding. PV's misdrijf zullen via de coördinerend OvJ met toelichting aan betrokken (plaatselijke) OvJ worden gezonden2.
De bij het onderzoek geconstateerde overtredingen verjaren twee jaar na de datum van een ongeval. Bij verjaring wordt een ongevalsrapport opgemaakt waarin deze (verjaarde) overtredingen worden vermeld. Een boeterapport in verband met het niet melden van een ernstig ongeval is echter nog steeds mogelijk indien deze overtreding na de verjaringstermijn aan het licht komt. De overtreding kan in dat geval beschouwd worden als een "voortdurend delict".

6. ADMINISTRATIEVE AFHANDELING
6.1 Registratie "type ongeval" (BOBS) en "oorzaken" (SOAT)
BOBS- en SOAT-gegevens worden door de betreffende inspecteur in GISAI geregistreerd,
echter alleen indien ongevalsonderzoek is uitgevoerd. De registratie van BOBS- en SOAT-gegevens in GISAI is verplicht.

Bij ongevalsonderzoeken moeten de volgende BOBS-oorzaakgegevens worden geregistreerd:
werkomgeving (2-cijferig niveau = 123 items)
oorzaak / letsel (1-cijferig niveau = 11 items)
tool bij oorzaak letsel (2-cijferig niveau = 93 items)

Invulling van SOAT-gegevens geschiedt op basis van het gestelde in de cursus
ongevalsonderzoek. Correcte invulling van BOBS- en SOAT-gegevens is van groot belang
voor het kunnen analyseren van ongevallen.

6.2 Rapportage
Er zijn twee vormen van rapportage te onderscheiden:
Bij meldingsplichtige ongevallen waarbij causale overtreding(en) zijn vastgesteld, wordt een ongevallenboeterapport of een PV (van overtreding of misdrijf) opgesteld.
Bij meldingsplichtige ongevallen waarbij geen causale overtredingen zijn, wordt een ongevalsrapport opgesteld.

Daarnaast vindt uiteraard afhandeling van de eventuele handhavingstrajecten plaats via de standaard modelcorrespondentie.
Alle feiten, waarop de conclusies zijn gegrond, worden opgenomen in de rapportage en/of in de (in de bijlage op te nemen) verklaringen.
Bij de rapportage worden zoveel mogelijk relevante documenten, tekeningen en foto's als bijlage toegevoegd. Bij een PV kan het opnemen van een berekening van het 'economisch voordeel' in relatie met de geconstateerde overtreding, gebaseerd op de kostprijs van investeringen, relevant zijn.
Zo nodig wordt ook een verklaring van vakinhoudelijke termen toegevoegd.

Het kan van belang zijn in de rapportage, met schriftelijke toestemming van het slachtoffer, een medische verklaring op te nemen. Dit speelt bijvoorbeeld wanneer op een andere wijze niet duidelijk kan worden aangegeven wat de gevolgen (met name op de langere termijn) van het ongeval voor het slachtoffer zijn. Indien gewenst kan het slachtoffer reeds bij voorbaat (bijvoorbeeld bij het opnemen van de getuigenverklaring) om schriftelijke toestemming voor het opvragen van medische gegevens worden gevraagd, door ondertekening van het betreffende formulier.

6.3 Formele afhandeling
Wordt een onderzoek afgesloten met een ongevallenboeterapport dan moet dit worden gezonden aan de boeteoplegger. De boetebeschikking die hier op volgt moet binnen 16 weken na melding van het ongeval aan de werkgever zijn toegezonden. Aangezien 4 weken nodig zijn ten behoeve van het opmaken van de kennisgeving aan de werkgever, de responsetermijn en het opmaken van de beschikking, dient een ongevallenboeterapport binnen 12 weken aan de boeteoplegger te worden gezonden. Zie ook de procesbeschrijving ongevallen.

Wordt een onderzoek afgesloten met een PV, dan wordt dit tot nader order aan de afdeling Arbo-Handhaving toegezonden. Na intrekking van deze order worden PV's gezonden aan het OM. Bij de keuze naar welk arrondissement, dient dan gekeken te worden naar de woonplaats van het slachtoffer. Woont het slachtoffer in het arrondissement waar ook het bedrijf statutair gevestigd is, dan wordt daar het PV naar toe gestuurd, in andere gevallen naar het arrondissement waar het ongeval zich heeft voorgedaan. Het kan ook zo zijn dat arrondissementen onderling hebben afgesproken welke in een bepaalde regio de arbo-zaken behandeld. In voorkomende gevallen worden PV's naar het betreffende arrondissement gezonden.
Bij een PV wordt de module 'slachtofferzorg' zo volledig mogelijk ingevuld. Om zoveel mogelijk gegevens te kunnen verzamelen dient voor het moment van verzenden van het PV contact opgenomen te worden met mogelijke informanten (slachtoffer, behandelend arts, etc.).
Zo nodig wordt het slachtoffer en/of familie daarbij nogmaals gewezen op de mogelijkheden tot schadevergoeding via strafrechtelijke en/of civielrechtelijke weg en op hulpverlenende instanties, zoals het Bureau Slachtofferhulp.

Het ongevalsonderzoek kan in GISAI als afgehandeld worden beschouwd op het moment dat de rapportage (ongevallenboeterapport of ongevalsrapport) aan de betrokkenen is toegezonden, of wanneer het PV aan het OM is overgedragen (zie hoofdstuk 7). In GISAI kan de 'zaak' echter pas worden afgesloten op het moment dat het eventuele handhavingstraject als gevolg van het ongevalsonderzoek is afgesloten.

7. INFORMATIEVERSTREKKING AAN BETROKKEN PARTIJEN
Het ongevallenboeterapport of het ongevalsrapport wordt, inclusief de bijlagen, standaard toegezonden aan de direct betrokken partijen: de verantwoordelijke werkgever, de eventuele werknemersvertegenwoordiging en de getroffene(n).
Indien belanghebbende derden verzoeken om toezending van rapporten dan worden deze via een (model-)brief naar één van de door de AI geïnformeerde partijen verwezen. Indien een advocaat van belanghebbende aangeeft geen medewerking van zijn cliënt in deze te krijgen, dan wordt het rapport, inclusief alle bijlagen, aan hem verstrekt. Gaat het om andere belanghebbende derden (verzekeringsmaatschappijen, uitlenende werkgever) dan zal worden bericht dat deze een WOB-verzoek moeten indienen.
Niet belanghebbende derden (bonden, verenigingen, e.d.) dienen altijd een WOB-verzoek in te dienen. De behandeling hiervan ligt in handen van de afdeling JA. Deze afdeling zorgt voor een ontvangstbevestiging aan de indiener van het verzoek en toetst het verzoek aan de WOB.
De beslissing wordt vastgelegd in een beschikking in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht. Tegen deze beslissing kan vervolgens weer bezwaar ingesteld worden.

De betrokken partijen (verdachte(n) en slachtoffer(s) ) worden schriftelijk in kennis gesteld van de onderzoeksafhandeling en de inzending van het PV. Indien door de betrokken partijen of derden om inzage wordt verzocht in het PV, dan worden deze verwezen naar het OM, onder vermelding van het geleidelijstnummer.

8. VERANTWOORDELIJKHEDEN
Indien geen nader onderzoek naar aanleiding van een ongevalsmelding plaatsvindt, is het HCA verantwoordelijk voor de juiste registratie van de gegevens (HCA is zaakeigenaar). Indien wel nader onderzoek is uitgevoerd is de betrokken inspecteur verantwoordelijk voor de juiste registratie van gegevens (inspecteur is zaakeigenaar).

BIJLAGE 1

AFSPRAKEN MET ANDERE INSPECTIEDIENSTEN*

Kermisattracties en pretparken
Voor meldingen van ongevallen bij kermisattracties en pretparken (of andere situaties waar gebruik wordt gemaakt van werktuigen of toestellen voor vermaak of recreatie) gelden de volgende uitgangspunten:
Ongevallen waarbij slachtoffers zijn gevallen onder gebruikers of omstanders, worden doorverwezen naar de Keuringsdienst van Waren, telefoon: 0800-0488 (ook buiten kantooruren).
Ongevallen van werknemers bij de opbouw, het onderhoud, de exploitatie en het afbreken worden door de AI onderzocht.
In bovengenoemde situaties vindt bij voorkeur afstemming en raadpleging tussen beide diensten plaats.

Luchtvaart
Alleen ongevallen aan boord van stilstaande luchtvaartuigen worden in behandeling genomen, voor zover het werk betreft van niet-boordpersoneel en/of werk van boordpersoneel dat niet in verband staat met de vlucht. De overige ongevallen (bij werkzaamheden in verband met of tijdens de vlucht) worden onderzocht door de Nederlandse Luchtvaart Autoriteit (NLA).
Bij onderzoek door de AI moet afstemming plaatsvinden met de NLA, telefoon: 023- 5663204.

Scheepvaart
Ongevallen in verband met werkzaamheden op of in zeeschepen (ook vissersvaartuigen en zeegaand baggermateriaal) die in Nederland in aanbouw, verbouw, reparatie, onderhoud, reiniging of sloop zijn, en in verband met laad- en loswerkzaamheden, moeten worden onderzocht door de AI. Ongevallen aan boord van zeeschepen en bij het laden en lossen van zeeschepen door de bemanning zelf, zonder dat daar een stuwadoorsbedrijf bij betrokken is, worden onderzocht door de Scheepvaartinspectie (SI).
Mede gezien het tijdelijke karakter van de werkplek is met de SI afgesproken dat meldingen van ongevallen die bij de AI binnenkomen altijd door de AI ter plekke worden onderzocht. Als vervolgens blijkt dat het om een ongeval gaat dat het werkterrein van de SI betreft, wordt deze dienst onmiddellijk op de hoogte gesteld, telefoon: 010-2668500 of 06-57643541 (buiten kantooruren)
De AI en SI stellen elkaar op de hoogte van ongevallen in de haven waarbij buitenlandse werknemers zijn betrokken.
Met betrekking tot in Nederlands territorium opererende binnenvaart bestaat de werkafspraak dat meldingen betreffende varende binnenvaartschepen, in overleg met het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) worden afgehandeld.

Spoorwegen en spoorvervoer
Ongevallen bij spoor-, metro- en tramwegbedrijven worden door de AI onderzocht. Ook de Rijksverkeersinspectie (RVI), afdeling Spoorwegtoezicht (ST) heeft bevoegdheden (telefoon: 070-3052777 (ook buiten kantooruren).
Alle ernstige ongevallen als gevolg van aanrijding en elektrocutie worden zonder overleg met ST onderzocht. Dergelijke ongevallen worden tevens gemeld bij de coördinerende AI-regio, van waaruit zo nodig verdere activiteiten worden geïnitieerd.

Wegvervoer
De AI onderzoekt tot nader order ongevallen bij het beroepsgoederenvervoer, het besloten busvervoer en het taxivervoer. In voorkomende gevallen betrekt de AI de hiervoor aangemerkte RVI-inspecteur bij het ongevalsonderzoek als onderdeel van het leertraject voor RVI-inspecteurs (zie brief AI/CK/Arbo-H/01/18341). Na afronding van het leertraject zal de RVI dergelijke ongevallen zelfstandig onderzoeken (zie ook paragraaf 1.4).

Aardolie- en gaswinning
Voor het onderzoek van ongevallen in verband met werkzaamheden bij de aardolie- en gaswinning gelden de volgende werkafspraken:
ongevallen bij boringen ten behoeve van de exploratie en exploitatie van delfstoffen betreffen het werkterrein van het Staatstoezicht op de mijnen, telefoon: 070-3956500;
ongevallen bij alle andere boringen, zoals voor wetenschappelijk onderzoek, de exploitatie van aardwarmte, onderzoek van bodemwater, afvalopslag of -berging, worden behandeld door de AI. Vanwege de deskundigheid van het Staatstoezicht op de mijnen op het gebied van boringen is het aan te raden deze dienst bij het onderzoek te betrekken.


* Redactie: Vanaf 1 januari 2002 zijn de diverse inspectiediensten opgegaan in de Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisies Luchtvaart, Scheepvaart en Vervoer.

1. Indien in een ongevalsonderzoek blijkt dat door constatering of door middel van verhoor van verdachte en/of het afnemen van getuigenverklaringen een misdrijf kan worden aangetoond, wordt een PV misdrijf opgemaakt.
2. Gedurende een overgangsperiode geldt centrale toetsing ook voor processen-verbaal van overtreding.