Valincidenten kunnen blijvende
invaliditeit of de dood van het slachtoffer tot gevolg hebben. Werkgevers zijn zich ervan
bewust dat een vermindering van het aantal valincidenten onder meer kan worden bereikt
door het beperken van het gebruik van de ladder als werkplek op hoogte[1].
De systematiek van de
Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) is erop gebaseerd dat een risico primair bij de bron
wordt aangepakt. De beste mogelijkheid daartoe is dat bij nieuwbouw al in de ontwerpfase
('op de tekentafel') rekening wordt gehouden met de keuze van het juiste arbeidsmiddel in
de bouw-, de gebruiks- en de onderhoudsfase van een gebouw, waarbij oplossingen worden
bedacht die een alternatief bieden voor het gebruik van de ladder als werkplek op hoogte.
Hierbij kan worden gedacht aan het aanbrengen van gevelinstallaties of aan het plaatsen
van naar binnen draaiende ramen. Maar ook bij bestaande gebouwen kunnen vaak bij het groot
onderhoud dergelijke voorzieningen worden aangebracht die het gebruik van de ladder als
werkplek overbodig maken. De overheid heeft hier in de bouwregelgeving en in de handhaving
een specifieke verantwoordelijkheid met betrekking tot het ontwerp. Door de hier bedoelde
preventiemaatregelen in de ontwerpfase kan later het klein onderhoud veiliger worden
uitgevoerd. Zowel opdrachtgevers (waaronder de overheid) als ontwerpers hebben hier een
grote verantwoordelijkheid voor de veiligheid van personen die genoodzaakt zijn om tijdens
de bouw, de afbouw, het onderhoud of de sloop op hoogte te werken.
Pas als blijkt dat een dergelijke
bronaanpak niet of niet op korte termijn kan worden gerealiseerd, moet het gebruik van
collectieve arbeidsmiddelen worden overwogen. Afhankelijk van de aard en de duur van de
werkzaamheden en van bepaalde omgevingsfactoren zoals de beschikbare ruimte of de
stevigheid van de ondergrond, kan in veel gevallen gebruik worden gemaakt van bijvoorbeeld
een steiger of een hoogwerker.
Hier hebben de werkgevers en werknemers die werkzaamheden op hoogte (laten) verrichten, een eigen verantwoordelijkheid voor het veilig uitvoeren van de werkzaamheden.
De ladder valt onder de richtlijn Arbeidsmiddelen. Deze richtlijn verplicht de werkgever de werknemers met zodanige arbeidsmiddelen (ladders, trappen en rolsteigers) te laten werken, dat de veiligheid en gezondheid van de werknemers tijdens het gebruik kunnen worden gewaarborgd (zie ook bijlage a). Naast het feit dat de ladder valt onder de definitie van arbeidsmiddelen, is in het Arbobesluit (artikel 7.33, zie bijlage) een aanvullend voorschrift opgenomen. Het voorschrift geeft aanwijzingen om risicos van uitglijden en omvallen te minimaliseren.
In beginsel worden ladders en trappen
gebruikt om een hoger gelegen niveau te bereiken. Toch worden ladders en trappen in een
aantal gevallen ook gebruikt als arbeidsmiddel voor het staande uitvoeren van
werkzaamheden. Kenmerkend bij de toepassing van een ladder in bijvoorbeeld de
installatietechniek is de geringe tijdsduur van de werkzaamheden en de veelal moeilijke
bereikbaarheid van de plaats waar installatiewerkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Vaak
zijn installatiedelen aangebracht op moeilijk bereikbare plekken, waardoor de inzet van
(rol)steigers of hoogwerkers technisch niet mogelijk is. Technisch niet mogelijk, omdat de
werkplek onvoldoende groot is, bijvoorbeeld in gangen, reeds
ingerichte gebouwdelen, technische ruimtes,
schachten en/ of tussen appendages in de fabrieken in verschillende industrieen. Deze
kenmerken zijn zeker ook van toepassing op andere sectoren.
Voor gevelonderhoud gelden afwijkende
criteria. Zie hiervoor het Convenant Gevelonderhoud en het daarbij behorende Document en
Supplement Gevelonderhoud.
Ongevallen met ladders en trappen zijn veelal het gevolg van onjuist gebruik en meestal niet van de kwaliteit van het materiaal. De ergonomische risicos van werken met ladders zijn het zwaar tillen, ongunstige werkhoudingen, langdurig staan op smalle laddersporten en veel klimmen. Dit kan onder andere leiden tot rug-, schouder-, voet- en knieproblemen. De belangrijkste risicos ten aanzien van het gebruik van ladders laten zich samenvatten in:
§
Valgevaar
bijvoorbeeld door onjuist beklimmen of opstellen waardoor de ladder omvalt en/ of
onderuitglijdt;
§
Fysieke
belasting bijvoorbeeld bij langdurig staan op smalle sporten, grote
krachtinspanning of reiken buiten de ladder;
§
Verstoring
werk door derden bijvoorbeeld verstoring van werkzaamheden door gebouwgebruikers;
§
Windkracht
bij werkzaamheden buiten bij een hoge windkracht, bijvoorbeeld hoger dan 6 BF is er
sprake van verhoogd valgevaar.
Het risico bij de inzet van een ladder als werkplek kenmerkt zich door wat er kan gebeuren met welke gevolgen. In het geval van een ladder is de belangrijkste ongevalskans een valincident. Met behulp van een risico-evaluatie wordt bepaald of het risico aanvaardbaar is, uitgedrukt in een risicoklasse. Deze geeft een indicatie van de grootte van het risico en wordt berekend uit het product van de factoren waarschijnlijkheid, duur van de blootstelling en de grootte van de mogelijke (letsel)schade.
Bij het werken op
hoogte is het nodig dat de werkvoorbereiding en/of de operationeel leidinggevende vooraf
nagaat welk arbeidsmiddel het beste kan worden ingezet. Uitgangspunt is het gebruik
van een veiliger arbeidsmiddel dan een ladder. Nagegaan wordt of bij opgedragen taken de
veiligheid en gezondheid van de medewerkers niet in gevaar kunnen komen. Ook wordt
nagegaan of de werknemer de opleidingskwalificaties heeft, die nodig zijn voor de
uitvoering van bepaalde werkzaamheden.
Of bij de werkvoorbereiding in het
uiterste geval voor de ladder als werkplek mag worden gekozen, wordt vooral bepaald op
grond van de aspecten stahoogte, omvang van de werkzaamheden (staduur), het soort werk dat
uitgevoerd moet worden (krachtuitoefening en reikwijdte). De ladder moet onder deze
omstandigheden veilig en gezond kunnen worden ingezet.
De keuze van het arbeidsmiddel moet primair op veiligheidskundige overwegingen worden gebaseerd. De economische afweging moet dan ook met terughoudendheid en slechts in samenhang met operationele en veiligheidstechnische overwegingen worden gemaakt. De inzetbaarheid van de ladder als werkplek ter plaatse wordt bepaald op grond van de aspecten stahoogte, nodige statijd, krachtuitoefening en reikwijdte. De aspecten, die in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, worden kort toegelicht.
Als een werkgever aannemelijk kan maken dat hij beperkt wordt in de keuze en/of het gebruik van alternatieve arbeidsmiddelen, kan mits veilig toegepast een ladder worden gebruikt. Beperkingen voor de werkgever zouden kunnen zijn:
5.1 Operationele beperkingen bijvoorbeeld de kwalificatie van de werkzaamheden, de bereikbaarheid van de werkplek, de opstelmogelijkheden van het arbeidsmiddel;
5.2 Veiligheidstechnische beperkingen bijvoorbeeld de uitvoering van risicovolle werkzaamheden, de krachtuitoefening, de noodzakelijke reikwijdte, de risico's van het gebruik van een ander arbeidsmiddel;
5.3 Economische beperkingen bijvoorbeeld de bereikbaarheid van het project, vervoerskosten en opstelkosten.
Bij de werkvoorbereiding wordt op
grond van een " Beoordeling keuze arbeidsmiddel" bepaald welk arbeidsmiddel voor
het werken op hoogte wordt ingezet. Als de conclusie is dat geen ander arbeidsmiddel kan
worden ingezet dan de ladder en als het verantwoord wordt geacht
om de ladder in de omstandigheden van het geval met de nodige veiligheidswaarborgen in te
zetten dient ter plaatse nog te worden getoetst of de feitelijke omstandigheden
overeenkomen met die waarvan bij de werkvoorbereiding is uitgegaan. Daarbij kan gebruik
worden gemaakt van de "Beoordeling werkplek ladder".
| 6.1 | Stahoogte. De
aanvaardbaarheid van de stahoogte wordt altijd beoordeeld in samenhang met de nodige
statijd (zie hierna). Op brancheniveau zal deze samenhang nader worden uitgewerkt. Indien
de stahoogte tussen 2,5 en 5 meter is, kan de ladder worden ingezet, uiteraard mits ook
aan de overige criteria is voldaan (6.2 tot en met 6.5). Bij een stahoogte tussen 5 en 7,5
meter (met
inachtneming van bestaande beleidsregels omtrent maximum sta-
of werkhoogte) moet in samenhang met de overige
aspecten worden bezien of het nodig is om het valrisico af te wenden door het nemen
van beheersmaatregelen. Bij een stahoogte van meer dan 7,5 meter is het gebruik van de
ladder niet toegestaan. Slechts bij hoge uitzondering wordt hiervan door middel van een project RI&E afgeweken. |
| 6.2 | Nodige statijd.
De aanvaardbaarheid van de statijd wordt altijd beoordeeld in samenhang met de
stahoogtecriteria (zie hiervoor). Indien kortdurende werkzaamheden worden gepland (minder
dan 2 uur effectieve statijd), kan de ladder worden ingezet, mits ook is voldaan aan de
overige criteria (6.1, 6.3, 6.4 en 6.5). Bij een statijd tussen 2 en 4 uur moet in
samenhang met de overige aspecten worden bezien of het nodig is om het valrisico af
te wenden door het nemen van beheersmaatregelen. Bij een statijd van meer dan 4 uur is het
gebruik van de ladder niet toegestaan. Slechts bij hoge uitzondering kan hiervan worden
afgeweken, mits door het nemen van beheersmaatregelen het valrisico afdoende kan worden
afgewend. Onder statijd wordt verstaan: effectieve statijd, de optelsom per project van
alle tijdsduren van het staan op de ladder. |
| 6.3 | Krachtuitoefening. Indien vanaf de ladder fysiek zware arbeid moet worden
verricht, dan geldt voor het trekken en duwen het volgende. In beginsel kan, indien de
krachtuitoefening minder is dan 50 N, de ladder worden ingezet, mits ook is voldaan aan de
overige criteria (6.1, 6.2, 6.4 en 6.5). Bij een krachtuitoefening tussen 50 en 100 N,
moet in samenhang met de overige aspecten worden bezien of het nodig is om
het valrisico af te wenden door het nemen van beheersmaatregelen. Bij een
krachtuitoefening van meer dan 100 N is het gebruik van de ladder niet toegestaan.Slechts
bij hoge uitzondering kan hiervan worden afgeweken, mits door het nemen van
beheersmaatregelen het valrisico afdoende kan worden afgewend. Per sector zal worden afgesproken welke concrete grenzen bij de krachtuitoefening worden gehanteerd. |
| 6.4 | Reikwijdte. De reikwijdte is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden die vanaf de ladder moeten worden verricht. Bij werkzaamheden op de ladder geldt het criterium een armlengte. Indien meer reikwijdte nodig is, moet de ladder worden verplaatst. Hiervan kan nooit worden afgeweken. |
| 6.5 | Windkracht. De maximale windkracht waarbij nog op hoogte mag worden gewerkt, is 6 Bf. |
| 6.6 | In
diverse branchespecifieke convenanten worden afspraken gemaakt ten aanzien van de maximum omvang en het maximum gewicht van voorwerpen, waarmee op
de ladder mag worden gewerkt. |
![]() |
bijlagen
4.2.2.Het wegglijden van de voet van draagbare
ladders tijdens het gebruik moet worden tegengegaan door de boven of onderkant van de ladderbomen vast te
zetten, of door middel van een antislipinrichting of een andere, even doeltreffende
oplossing. Toegangsladders moeten voldoende boven het toegangsniveau uitsteken, tenzij andere voorzieningen
een veilig houvast mogelijk maken. Meerdelige ladders en
schuifladders moeten zodanig gebruikt worden dat de verschillende delen niet ten opzichte
van elkaar kunnen bewegen. Beweegbare ladders moeten worden vastgezet voordat zij worden betreden.
4.2.3.Ladders moeten zodanig worden
gebruikt dat de werknemers steeds veilige steun en houvast hebben. Met
name mag het met de hand dragen van lasten op een ladder een veilig houvast niet
belemmeren.
Arbobesluit: artikel 9.5 Verplichtingen van zelfstandigen
a. van hoofdstuk 2: artikel 2.39;
b. van hoofdstuk 3: de artikelen 3.4, 3.5, 3.39 en 3.40;
c. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.7, 4.8, 4.38, 4.39, 4.41,
4.45, eerste lid, 4.46, eerste lid, 4.54, 4.55, 4.56, eerste lid, onder a, 4.58, 4.59,
4.60, 4.61, 4.62b en 9.15, onder a, sub 1° tot en met 4°, en onder b;
d. van hoofdstuk 6: de artikelen 6.16, 6.18, 6.19, eerste lid, en
6.20;
e. van hoofdstuk 7: artikel 7.4, eerste en tweede lid, voor
zover het betreft landbouwtrekkers die 800 kg of meer wegen, en artikel 7.32, tweede en
derde lid.
Arbobesluit:
artikel 3.16 Voorkomen valgevaar
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op arbeid, die op veilige wijze
op een ladder, trap of dergelijke kan worden verricht.
3.
Indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of
wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij
zouden moeten dienen, zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende
grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige
veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere
technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in
het eerste lid bedoelde arbeid geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve
bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.
Arbobesluit:
artikel 7.4 Deugdelijkheid arbeidsmiddelen
2. Een arbeidsmiddel is van een deugdelijke constructie.
3. Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst of ingericht, dat het gevaar van verschuiven, omvallen, kantelen, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.
4. Artikel 3.17 is van overeenkomstige toepassing.
Arbobesluit: art. 7.4a Keuringen
4.
Een arbeidsmiddel als bedoeld in het derde lid wordt voorts gekeurd,
waarbij het zo nodig wordt beproefd, telkens wanneer zich uitzonderlijke gebeurtenissen
hebben voorgedaan die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van het
arbeidsmiddel. Als uitzonderlijke gebeurtenissen worden in ieder geval aangemerkt:
natuurverschijnselen, veranderingen aan het arbeidsmiddel, ongevallen met het
arbeidsmiddel en langdurige buitengebruikstelling van het arbeidsmiddel.
5.
Keuringen worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon,
rechtspersoon of instelling.
6.
Schriftelijke bewijsstukken van de uitgevoerde keuringen zijn op de
arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in
artikel 24 van de
wet.
2.
De in het eerste lid genoemde toegangsmiddelen zijn, indien dit
redelijkerwijs mogelijk is, gescheiden van de luikopeningen.
2.
Ladders en trappen zijn stabiel opgesteld en zo nodig vastgezet en
van een voldoende lengte om in alle standen waarin zij worden gebruikt, een stevige steun
voor handen en voeten te bieden.
1. Het tegengaan van valgevaar bij het
verrichten van arbeid door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen e.d. (de
zgn. randbeveiliging) als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van het
Arbeidsomstandighedenbesluit is in ieder geval noodzakelijk indien het valgevaar 2,5 m of
meer is indien de arbeid wordt verricht op statische arbeidsplaatsen en bij ieder
valgevaar indien arbeid wordt verricht op arbeidsplaatsen, die daarbij in beweging zijn of
kunnen komen.
2. Voor arbeidsplaatsen op pluklorries, die voor 1-1-1992 in gebruik zijn genomen in
champignonkwekerijen of kassen, wordt randbeveiliging aangebracht bij valgevaar van 1,20 m
of meer.
3. Het tegengaan van valgevaar bij montage van liften in liftschachten vanaf een
montageplatform of vanaf een bewegende vloer is in overeenstemming met het gestelde in
artikel 3.16, eerste lid, indien wordt voldaan aan de eisen voor bewegende vloeren in
liftschachten, zoals werden gepubliceerd in Mededeling 236, derde kwartaal 1992 van het
Liftinstituut.
4. Indien het valgevaar vanaf statische constructies gepaard gaat met risicoverhogende
omstandigheden, zoals het gevaar te vallen op of langs uitstekende delen, de aanwezigheid
van verkeer, het vallen in water e.d., dan wordt randbeveiliging ook aangebracht bij
geringer valgevaar, afhankelijk van de toename van het risico.
5. Ter bepaling van het optredende valgevaar wordt bij schuine werkvlakken uitgegaan van
het hoogste punt dat kan worden betreden.
6. Hekwerken c.q. randbeveiligingen worden als doelmatig aangemerkt indien:
a. ten aanzien van de constructie
1.zij aan de bovenzijde zijn voorzien van een stevige leuning op
tenminste 1,0 m boven het werkvlak;
2.zij bij open constructies aan de onderzijde aansluitend op het
werkvlak zijn voorzien van een kantplank van 15 cm hoog; indien uitsteeksels het
aansluiten verhinderen,
is hierop enige afwijking (15 cm) toegestaan, mits in overeenstemming met het gestelde in
artikel 3.17 maatregelen zijn genomen die voorkomen, dat personen kunnen worden getroffen
door voorwerpen, die door de aldus ontstane opening(-en) vallen of rollen en
3.zij in open constructies de openingen zodanig beperkt blijven, dat
een kubus met zijden van 47 cm de openingen niet kan passeren.
b. ten aanzien van de sterkte
1.zij niet bezwijken bij een op de meest ongunstige plaats aangebrachte
neerwaartse belasting van 1,25 kN danwel de vervorming ten gevolge van die belasting van
dien aard is dat de functionaliteit van het hekwerk c.q. de randbeveiliging gewaarborgd
blijft;
2.zij zijdelings niet meer dan 3,5 cm
doorbuigen en niet worden verplaatst bij een horizontale belasting van 0,3 kN en
3.zij in functie blijven (niet uit een aanwezige bevestiging worden
getild) bij een opwaarts gerichte belasting van 0,3 kN.
7. Hekwerken cq. randbeveiligingen kunnen bij niet schuine werkvlakken achterwege blijven,
indien de arbeid op meer dan 4,0 m afstand van de rand van het werkvlak wordt uitgevoerd
en de arbeidszone alsmede de weg daar naar toe duidelijk
gemarkeerd zijn. Indien de arbeidszone en de weg daar naar toe tevens zijn afgezet, kan
deze afstand tot 2,0 m beperkt worden.
8. Werkvloeren zijn altijd gesloten of dichtgelegd. Voor afwateringsdoeleinden e.d. zijn
geringe openingen toegestaan, die door een kubus met zijden van 8 cm niet kunnen worden
gepasseerd.
9. Onder "het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat" wordt ook
verstaan het zich begeven naar de arbeidsplaats. Doelmatige
voorzieningen hiervoor kunnen ladders zijn, mits deze bij klimhoogten van 10 m of meer op
maximale afstanden van 7,50 m zijn onderbroken door rustbordessen.
Ladders steken tenminste 1 meter uit boven de gewenste sta- of
overstaphoogte. Op het te betreden vlak is aan weerszijden van de toegang randbeveiliging
aangebracht over een lengte van 4,0 m of sluit de toegang aan op de aanwezige
randbeveiliging.
10. Onder "arbeid die op veilige wijze op een ladder, trap of dergelijke kan worden
verricht", wordt in overeenstemming met het gestelde in artikel 3.16, tweede lid , verstaan arbeid, die wordt verricht vanaf stabiel opgestelde
staande ladders tot werkhoogten van 10,0 m of arbeid die verricht wordt vanaf permanent
aangebrachte hangladders tot hoogten van 20,0 m, mits daarbij de te overbruggen verticale
afstand niet meer dan 10,0 m bedraagt.
11. Onder arbeid als bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, van het
Arbeidsomstandighedenbesluit wordt niet verstaan arbeid verricht met een niet-permanent
aangebrachte hangsteiger of hangladder of de zogenaamde (handbediende) klassieke
bootsmanstoel. Bij arbeid met deze of soortgelijke middelen, waarbij kabels, touwen en
dergelijke worden gebruikt, worden voorzieningen getroffen overeenkomstig
het gestelde in artikel 3.16, derde lid.
Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van schepen. Voor schepen gelden de
voorschriften voor de voorzieningen bij valgevaar zoals die in de schepenwetgeving zijn
opgenomen.
Bij arbeidsplaatsen, die tijdens het
verrichten van arbeid in beweging zijn of kunnen komen is het risico voor vallen
aanzienlijk groter dan bij statische constructies, wegens de veel grotere kans, dat iemand
zijn evenwicht verliest als gevolg van de mobiliteit (remmen, onverhoeds in beweging komen
e.d.).
Bovendien bestaat veelal het gevaar dat men na het vallen wordt aangereden. Bij dergelijke
arbeidsplaatsen wordt daarom altijd randbeveiliging aangebracht.
De maat van 1,20 m bij pluklorries is gekozen in relatie tot de hoogte van de
champignonbedden. Voor pluklorries, die voor 1-1-1992 in gebruik zijn genomen, werd deze
hoogte geaccepteerd als overgangsbepaling.
Er bestaan vrijstaande uitvoeringen van randbeveiliging die niet aan de constructie is
verankerd. Zij blijven op hun plaats als gevolg van het eigen gewicht, eventueel aangevuld
met extra gewichtsbelasting.
Voorkomen moet worden, dat dergelijke randbeveiliging bij lichte aanraking e.d. van zijn
plaats (kan) schuiven. Hierdoor is de eis ontstaan, dat randbeveiliging bij de genoemde
horizontale belasting ook niet mag verplaatsen.
De montage van nieuwe liften in een schacht betreft een specifieke situatie. De genoemde
publicatie van het Liftinstituut kwam in overeenstemming met alle betrokken partijen tot
stand.
De maximale hoogte van 10.0 m voor het verrichten van arbeid vanaf ladders is gebaseerd op
incidenteel gebruik. Bij langdurig of regelmatig gebruik van ladders ontstaan naast
valgevaar ook gezondheidsrisico's wegens het staan op een te smal vlak.
In dergelijke situaties worden ladders indien mogelijk
vervangen door andere voor het werken op hoogte beter geschikte arbeidsmiddelen, dan wel
is beperking van de arbeidsduur op ladders op zijn plaats.
Niet permanent aangebrachte hangladders en hangsteigers vormen grote risico's voor
valgevaar bij het aanbrengen en het verplaatsen ervan (tillen van een onhandelbaar groot
voorwerp en het vooroverbuigen/bewegen van het lichaam in de valrichting), die niet
afdoende door technische oplossingen worden beheerst.
Ook het werken op niet-permanent aangebrachte hangsteigers kent een aantal onzekere
factoren die niet afdoende door de uitvoering en inrichting van de hangsteiger zelf worden
beheerst. Dat zijn bijvoorbeeld de ophangconstructie van de hangsteiger, de sterkte van
het dak, waarop bijvoorbeeld dakbalken zijn aangebracht om een hangsteiger aan op te
hangen, het verplaatsen van de ophangconstructie op het dakvlak, of het in- en uitstappen
van de hangbak. Op grond van artikel 3.16, derde lid, is het gebruik van een
niet-permanent aangebrachte hangsteiger mogelijk indien aangetoond kan worden dat per
situatie of toepassing een even hoge mate van veiligheid bereikt wordt als beoogd in het
eerste lid van dit artikel.
2.
Ladders die bestemd zijn om door meerdere personen gelijktijdig te
worden gebruikt hebben een dienovereenkomstige veiligheid.
b.
Aanwijzingen veilig gebruik ladder
Hieronder volgen aanwijzingen voor het opstellen en veilig gebruik van de ladder (veelal zijn deze ook van toepassing op een trap).
§
Er moet
voldoende vrije ruimte zijn voor plaatsing van een ladder en het gebruik bij windkracht 6
of hoger is niet toegestaan;
§
Een ladder
moet worden opgesteld onder een hoek van ca. 75 graden (een vuistregel is om de tenen
tegen de onderkant van de ladder te plaatsen en de ladder met gestrekte armen recht
vooruit te pakken);
§
Een ladder
moet aan de onderzijde niet kunnen wegzakken of uitglijden; zonodig de ladder voorzien van
een stabiliteitbalk;
§
Een ladder
moet aan de bovenzijde tegen zijdelings wegglijden worden geborgd; eventueel moet de
ladder worden vastgezet met een touw;
§
Een ladder
moet tenminste een meter uitsteken boven de plaats waartoe hij
toegang geeft. Bij het afstappen van de ladder op hoogte moet er een deugdelijke steun
zijn.
§
Plaats een
ladder niet op een hellend vlak, een zachte oneffen of gladde ondergrond, op een tafel of
kist, achterstevoren of ondersteboven;
§
Sporten en
ladderschoenen schoon houden; de ladder niet beklimmen met gladde of vervuilde zolen;
§
Beklim een
ladder met het gezicht naar de ladder toe en gebruik twee handen; materiaal en gereedschap
kunnen beter met een touw omhoog worden gebracht;
§
De toegang
van de ladders steeds vrijhouden van obstakels, zonodig markeren met schrikhekken;
§
Sluit een
deur af of blokkeer de doorgang als u een ladder voor een deur moet plaatsen;
§
Plaats
metalen ladders nooit in de buurt van onder spanning staande blanke delen; houd minimaal
een afstand van twee meter aan of gebruik een geisoleerde ladder (hout/
kunststof);
§
Reik nooit
te ver buiten de ladder en steun nooit met een voet (op bijvoorbeeld) een raamkozijn of
dorpel; de ladder kan gaan schuiven;
§
Plaats een
ladder niet direct tegen een raam; gebruik in dit geval dwarssteunen;
§
Beklim een
ladder of trap (zonder platform) nooit hoger dan de vierde tree van boven;
§
Uit
overwegingen van veiligheid voor het publiek, met name
kinderen, mogen ladders niet onbeheerd worden achtergelaten.
[1] Onder werken op hoogte wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden waarbij de voeten op meer dan 2,50 meter boven het vloerniveau staan (= stahoogte)